Lees dit kortverhaal GRATIS

tot 31/05/2020

CASE: SK56-589-01

(Een Infinitus Memorias Kortverhaal)

(Dark Fantasy / Dystopisch)

Hoofdstuk 1

Het was koud in de kerk, want er was geen verwarming en de honderden flikkerende kaarsen waren met hun kleine vlammen niet in staat om de immense ruimte op te warmen. De kaarsen waren evenmin ontstoken om de kerk te verlichten – dat zou waanzin zijn – maar de warme toon van hun kleine vlammen vormde een mooie aanvulling op het heldere witte licht van de lampen die overal in de kerk waren opgehangen om de aanwezigen veilig te houden.

Mina stapte rillend tussen de houten banken terwijl ze de verlichting inspecteerde.

Bovenin de kerk hadden ze drie enorme lampen opgehangen, die een stortvloed van helder wit licht over de hoofden van alle genodigden uitstortten. Het merendeel van de duisternis werd alleen al door deze drie machtige reuzen uit de oude kerk verdreven.

De kost was even immens als de lampen; maar op veiligheid zette je beter geen prijs.

Aan de oude stenen muren van de kerk waren op verschillende hoogten kleinere (maar toch nog steeds omvangrijke) lampen opgehangen. Als ze die niet hadden opgehangen, zouden de pilaren in de kerk, maar ook omvangrijke voorwerpen als de biechtstoel, een schaduw hebben geworpen. En dan zou er helemaal geen trouwplechtigheid plaatsvinden. Want de genodigden wilden vast net zo min als Mina te weten komen wat er zich in die schaduwen schuilhield.

Dat hoefde nu ook niet, want de lampen waren met grote deskundigheid opgehangen.

Lager aan diezelfde muren, en ook aan de pilaren die de verschillende delen van de oude kerk van elkaar scheidden, waren weer kleinere lampen opgehangen. Verspreid tussen de schilderijen en de heiligenbeelden uit vervlogen tijden. Onder elk van de, veelal deels vernielde, glas- in loodramen hing een relatief kleine maar desondanks fel schijnende lamp.

Net als onder de kruisbeelden van deze religie uit lang vervlogen tijd.

En dan waren er de lampen die doorheen de hele kerk verspreid op de grond stonden.

Hun plaatsing was net zo zorgvuldig uitgedacht als die van de andere lampen, zodat er zich ook onder de banken met genodigden geen schaduw zou vormen. In elk geval geen schaduw die er toe deed, vanuit het perspectief van een veiligheidsteam.

Dat was waar het voor Mina en haar team allemaal om draaide

De veiligheid garanderen van alle aanwezigen in deze eeuwenoude bouwval.

Mina sloeg haar armen om zich heen, in een poging zichzelf te beschermen tegen de koude.

Het was iets na zessen in de ochtend maar de meeste genodigden waren al in de kerk. Ze kozen hun plaatsen met zorg uit. De plaatsen het dichtst bij de lampen waren al ingenomen natuurlijk. Al zag Mina af en toe iemand opstaan om zijn plaats af te staan. Een volwassen man die plaats maakte voor een moeder die haar boreling met zich meedroeg. Een vrouw die haar stoel net onder een van de grote lampen aan de muur afstond aan een oude man die mank liep.

Het was hartverwarmend om te zien.

Maar overbodig.

Mina had geaarzeld toen het bruidspaar haar vroeg om de verlichting van hun trouwceremonie te verzorgen. Ze had al vaak trouwfeesten verlicht (en talloze andere aangelegenheden) en ze boden haar een meer dan behoorlijke betaling aan. Op zich waren het ook innemende mensen, voor wie ze graag goed werk wilde afleveren (het was tenslotte hun mooie dag!).

Het was de locatie die Mina had doen aarzelen.

Een oude kerk, een heel eind buiten de stad.

Een oud en in verval geraakt gebouw dat al decennia niet meer was verlicht.

Mina had het eerst niet geloofd toen de bruid zei dat ze daar wilden trouwen, tot de vrouw haar de reden vertelde. Haar overgrootmoeder was daar ooit getrouwd. En van alle vrouwen in de familie was zij de enige die een lang en gelukkig huwelijk had gekend. Geen heel gek idee, om te trouwen in dezelfde kerk met de hoop dat dit op de een of andere manier geluk zou brengen.

En als je geld te besteden had, waarom dan niet?

Mina had de zuivering van het gebouw niet moeten uitvoeren.

Het bruidspaar had een eenheid huurlingen ingeschakeld om het gebouw vrij te maken en een eerste reeks lampen op te stellen. Pas daarna was Mina samen met haar team gekomen, om onder de bescherming van de huurlingen een behoorlijke verlichting te installeren.

Met al die lampen zag de kerk er niet meer dreigend uit; alleen maar oud en stil.

Het was de familie van het bruidspaar zelf die de kaarsen overheen de kerk aangestoken had, in een poging om het oude gebouw er minder doods en vervallen te laten uitzien. Toen ze de kaarsen voor het eerst zag die ochtend, had Mina zich afgevraagd of het bruidspaar misschien twijfels had bij de keuze die ze hadden gemaakt. Of de eeuwenoude kerk hen niet meer angst aanjoeg dan ze hadden verwacht, ondanks dat alle schaduwen er nu uit verdreven waren.

Mina had haar twijfels over deze opdracht al even achterwege gelaten.

Haar verlichting volstond ruim om de veiligheid van iedereen in de kerk te waarborgen.

Nergens in de hele kerk, zelfs niet in de kelders (die een gevaar op zich vormen, door de slechte staat waarin ze verkeerden) konden zich schaduwen vormen. En zonder schaduwen, geen gevaar. Zo luidde de tekst op het briefpapier van haar verlichtingsbedrijfje. Dat was de belofte die ze maakte, en aan die belofte hield ze zich. Geen schaduwen, geen gevaar! Tenzij het dak van de kerk naar beneden kwam, maar in dat geval zouden de brokstukken meer mensen doden… dan wat er zich ook mocht schuilhouden in de duisternis van deze eeuwenoude plaats.

“Mina!” hoorde ze achter haar, en ze draaide zich verbaasd om.

Het was Josj, haar technicus die de stroomvoorziening onder zijn hoede had.

Mina wachtte tot hij bij haar was, en boog naar hem toe zodat ze discreet konden spreken.

Rondom hen zaten tientallen mensen reeds te wachten op de houten banken. Net als zij rillend van de koude, en zacht met elkaar sprekend. Vele van de gesprekjes verstomden toen ze zagen dat een van de verlichtingsmensen (ze droegen hun nieuwe, mooie uniformen) met elkaar spraken. Als er iets aan de hand was met het licht, dan wilden ze het meteen weten.

Mina wilde vooral geen mensen ongerust maken.

Stel dat een deel van hen opstond en weer naar huis vertrok.

Het bruispaar zou het niet weten te waarderen, en dat kostte Mina een fooi.

“Wat is er nu weer?” fluisterde ze tegen Josj, met behoorlijk wat irritatie in haar stem.

“De tweede generator werkt niet.” zei hij, zo zacht dat zelfs Mina het amper kon horen.

Dat en ongeloof maakten dat ze hem vroeg om zijn woorden te herhalen, wat hij prompt deed.

Bleek dat ze het goed had gehoord. De tweede generator die ze hadden meegebracht, en die nu al ruim een week in een vrachtwagen naast de kerk stond opgesteld, werkte niet meer. Mina had dat ding de avond voordien nog gecontroleerd. Ze wist dat hij werkte. Of in elk geval, dat hij de avond tevoren nog werkte. Maar Josj zwoer bij hoog en laag dat het ding nu niets meer deed, ondanks dat er op het eerste zicht niets mis mee was. Daarom wilde hij dat Mina een inspectie kwam doen.

Josj had een hogere graad in elektromechanica dan zij (daarom had ze hem in dienst), dus als hij haar om hulp kwam vragen, dan was hij duidelijk ten einde raad.

Het leek wel alsof het plots nog veel kouder was in de kerk.

Mina voelde haar bloed ijskoud stollen in haar aderen.

Omdat er te veel luisterende oren vlakbij waren, nam Mina haar technicus bij de arm en stapte met hem naar achterin de kerk. Ze was er zich heel bewust van dat mensen hen nakeken, en hoopte dat de meesten haar bezorgde uitdrukking niet hadden gezien.

“Heeft iemand de brandstof afgetapt?” vroeg ze onder haar adem aan Josj.

“Nee, ik heb gekeken.” antwoordde hij meteen. “De kabels zijn ook allemaal oké.”

Mina vermoedde al dat dit niet de oorzaak van het probleem was. Ze had bewakers op wacht gezet bij de vrachtwagen en het waren mannen die ze vertrouwde. Bovendien zou Josj het probleem meteen hebben opgemerkt als het zo simpel was. Maar ze had gehoopt dat dit de oorzaak van het probleem was. Brandstof bijvullen of de kabels vervangen was een werk van niets. Nadien de mannen ontslaan die de wacht hadden gehouden, en daarmee was de kwestie opgelost.

Een probleem binnenin de generator was kostelijk, en viel niet zomaar snel op te lossen.

“Shit, Josj!” siste Mina, terwijl ze langs twee zwaarbewapende bewakers stapten, die ingehuurd waren door het bruidspaar, voor het geval dat. “Er zitten al meer dan honderd mensen in de kerk en er komen er nog meer bij. Als de hoofdgenerator het begeeft, wat dan?”

“Alsof ik dat niet weet!” snauwde Josj, meer angstig dan geïrriteerd om haar woorden.

Mina hield halt bij een stenen bassin waar ooit water in had gezeten, en de helder schijnende lamp die er vlak naast op de grond was vastgezet. De kerk zat stilaan afgeladen vol, maar er kwamen nog steeds meer genodigden door de enorme houten deuren. Mina verbaasde zich niet. Wie rijk was had doorgaans een brede kring van kennissen, en had de middelen om iedereen uit te nodigen die ze maar als getuige van hun heugelijke dag wilden. Of het er nu honderd of driehonderd waren.

Verspreid over de kerk stonden bewakers opgesteld.

Dezelfde huurlingen die de kerk hadden gezuiverd voor Mina er kwam.

Het waren geharde strijders, en ze waren behoorlijk bewapend. De meesten van hen droegen zware machinegeweren met zich mee. De meesten waren uitgerust met zware gevechtsvesten en een helm, handschoenen en beschermende broeken.

Duur materiaal; wat betekende dat ze al behoorlijk hadden verdiend.

Deze huurlingen hadden zonder twijfel al behoorlijk wat ervaring achter de kiezen.

Maar de kerk was groot en met hun tienen konden ze niet al de mensen daar beschermen.

Dat was in het geval dat de eerste generator het begaf.

Zelfs als dat niet gebeurde, konden er problemen van komen. Het bruidspaar zou allerminst opgezet zijn, als ze ontdekten dat hun mooie dag maar door één generator werd beschermd. Mina wilde niet aan een rechter hoeven uit te leggen, waarom ze het bruidspaar en al hun genodigden in gevaar had gebracht door zonder reservegenerator te werken. Maar ze wilde ook niet bepaald tegen het bruispaar gaan zeggen dat de huwelijksceremonie niet kon doorgaan, tot ze waren teruggekeerd met een tweede generator.

Een rit heen en weer naar de stad zou al snel een uur in beslag nemen.

“Lasten we de hele boel af?” fluisterde Josj, en Mina greep hem vast bij zijn vest.

“En mijn reputatie ruïneren?” Mina keek haar technicus recht in de ogen. “Vergeet het!”

“Wat dan?” fluisterde Josj, met de moment nerveuzer wordend. “Riskeren we het gewoon?”

“Nee, dat ook niet!” zei Mina. “Wacht tot alle aanwezigen in de kerk zijn, zodat niemand ziet dat je vertrekt. Rij met de tweede vrachtwagen terug naar het depot. Haal een andere generator, en kom met je voet op het gaspedaal weer naar hier gevlogen. Als je ervoor zorgt dat er twee generators staan tegen dat de ceremonie hier afgelopen is en iedereen naar buiten komt, krijg je opslag. Anders zoek je morgen maar ander werk. Vooruit, waar wacht je nog op? Ga naar buiten en zorg dat je klaar bent om te vertrekken zodra de laatste gast in de kerk is.”

“Mina…” fluisterde Josj. “…beter een geruïneerde reputatie dan.” Hij maakte zijn zin niet af.

“Nee, ik heb het geld nodig.” zei Mina, rondkijkend in de steeds voller lopende kerk.

“Jij hoeft niet op te draaien voor de fouten van je zus.” zei Josj. “Jij was niet diegene die…”

“Ik tel tot drie!” siste Mina. “Als je dan nog steeds over mijn privéleven staat te leuteren in plaats van te doen wat je wordt gezegd, dan was ik je gezicht met dat steenpuin daar.”

Josj keek haar een moment geschokt aan, niet gewend dat ze zo tegen hem sprak.

“Eén!” zei Mina, en ze fixeerde Josj met haar diepbruine ogen. “Twee!”

Josj draaide zich om en haastte zich tussen de binnenkomende gasten de kerk uit. Zo snel, dat hij haast struikelde over zijn eigen voeten. Zonder nog om te kijken naar Mina, die diep inademde en dan na een moment traag weer uitblies in een poging zichzelf te kalmeren.

Dan stapte ze op de sergeant van de huurlingen toe.

Hoofdstuk 2

Mina keek niet naar de mensen rondom haar terwijl ze tussen de houten banken stapte. Nu ze wist dat het licht en hun veiligheid slechts van één generator afhing, wilde ze hen niet aankijken. Ze zou zich inbeelden wat er met hen kon gebeuren.

Tegelijkertijd probeerde ze eruit te zien alsof er niets aan de hand was.

Kalm naar voren stappend, zonder zich zichtbaar te haasten.

Naar beneden kijkend alsof ze even nadacht.

Maar niet fronsen; zeker niet fronsen.

Voor ze de laatste rijen banken was gepasseerd, wierp ze een blik opzij. Dat had ze ze beter niet gedaan, maar het jammeren van een kind trok haar aandacht. Mina zag meteen wie het was die daar zo klaaglijk zat te zeuren. Een meid van tien of elf, met een gezichtje dat aan iedereen zei: je weet dat ik gelijk hoor te krijgen! Haar vader, die naast haar zat en met rode kaken tegen haar sprak, had een gezicht dat precies het tegenovergestelde zei.

“De ceremonie start zo meteen…” probeerde hij uit te leggen. “… hou het even op!”

“Ik wil niet!” zei de kleine meid, een blik van immens verwijt naar haar vader werpend.

Mina kende het type (precies zoals haar zus) en wilde tussen de half opgetrokken knieën van de andere mensen op de bank stappen. Om het meisje een mep tegen haar oren te geven, zodat ze vanaf nu tweemaal zou nadenken voor ze koste wat het kost haar zin doordreef.

Dat had iemand bij haar zus moeten doen, toen die zo oud was.

Wie weet was het dan beter met haar afgelopen.

Mina was vooraan in de kerk gekomen en sloeg meteen af naar rechts. Op het verhoog stond de ceremoniemeester van de stad, zuchtend alsof het niet snel genoeg voorbij kon zijn. Mina nam aan dat hij er ook niet veel voor voelde om de ceremonie in deze kerk te voltrekken.

Beer dat hij niet wist hoe het met de generators zat.

Hij leek niet het soort man dat zijn zenuwen onder controle had.

Er klonk muziek van achteraan in de kerk. Mina draaide zich om, net als de vele genodigden die dicht tegen elkaar aangedrukt op de houten banken zaten. Achteraan in de kerk stonden zeven violistes, die een romantisch (en heel oud) lied aanhieven. Ze kwamen traag stappend naar voren door het middenpad tussen de banken. Hun jurken waren van de mooiste rode stof die Mina ooit al had gezien; en lieten meer van hun borsten zien dan behoorlijk was.

Een man met naar achter gekamde haren stootte een oudere man naast hem aan.

Hij wees naar de naderende vrouwen, en beide mannen grinnikten opgewekt.

Het zou niet lang meer duren voor de trouwceremonie van start ging.

Mina haastte zich voorbij de voorste rij banken. Nu de genodigden allemaal over hun schouder naar de violistes keken, durfde Mina het aan om snel te stappen. De sergeant die naast een van de vele oude schilderijen op wacht stond, merkte haar haast op en kwam haar tegemoet.

Het was een reus van een man, en zijn gezicht zag eruit alsof het kogelbestendig was.

“Problemen?” mompelde de man, toen Mina en hij vlakbij elkaar stonden.

Ook hij hield zijn stem gedempt, zodat niemand anders hen zou horen.

Voor Mina kon antwoorden, werd de muziek plots overstemd door het luid rommelen van een onweer. Mina schrok van het dreigende geluid, en ze was niet de enige. Het onweer klonk alsof het zich vlak boven hen had gevormd (dat kon) en het klonk alsof het menens was ook. In het donderen hoorde Mina bovendien het knetteren van elektrische ontlading.

“Shit!” zei ze. “Een elektrisch onweer, dat is het laatste dat ik nu nodig heb.”

“Ga de isolatie van je generators nakijken.” zei de sergeant meteen. “En de afleiders.”

Mina bevroor een moment ter plaatse, en probeerde terug te denken aan de dag voordien.

De isolatie van de generators… een van de toestellen die ze gebruikten had schade opgelopen bij de vorige opdracht; die in de kunstacademie. Ze had het toestel gemarkeerd en opdracht gegeven aan iemand van haar personeel… was het Jack? …om het te laten herstellen. Dat was niet gebeurd, omdat de technicus die ze gewoonlijk gebruikten voor zulke herstellingen, was gedood tijdens een opdracht buiten de stad. Shit! Hadden haar mensen, denkend dat de generator wel hersteld was, net dat toestel als tweede meegebracht om de kerk te verlichten?

Shit, dat had ze niet gecontroleerd; daar had ze niet eens aan gedacht!

“Sergeant!” zei Mina. “U was hier de afgelopen dagen… was er een elektrische storm?”

Het knetteren van de elektrische ontladingen in de storm werd luider. Mina kon het zonder een probleem boven de muziek van de violistes horen, ondanks dat die nu vooraan in de kerk stonden. Ze wierp een blik op een van de verbrijzelde glasramen naar de duistere wolkenhemel buiten, en zag daar de vele knetterende draden van elektrische ontlading. Haarfijne draden licht, die onderdeel uitmaakten van een of ander elektrisch anomalie waar wetenschappers zeer weinig over wisten.

Het behoorde tot de duisternis die eeuwen geleden over de wereld was neergedaald.

De duisternis die als een immer dreigende storm de dagen duister maakte.

En de nachten, de nachten nog veel duisterder.

Elektrische anomalie waren een van de meer bizarre fenomenen die bij de duisternis leken te horen (al kwamen ze eerder zelden voor). Ze kwamen meestal voor tijdens een onweer, en maakten dat de lucht doordrongen raakte van intense elektrische ladingen. Zo intens, dat zich hier en daar een soort van lichtdraden vormden. Waar dat gebeurde, viel nooit te voorspellen. Wie pech had, kon delen van zijn lichaam verbranden door direct contact met de knetterende lichtdraden.

Elektrische anomalieën waren niet veilig.

Hoewel binnen de kans kleiner was dat iemand gewond raakte.

Maar Mina maakte zich daar geen zorgen om; ze dacht aan de reactors.

Indien de draden zich vlakbij een generator vormden, konden ze hem uitschakelen.

Ook de sergeant keek door het gebroken glasraam, met een diepe frons op zijn gezicht.

“Sergeant!” herhaalde Mina haar vraag. “Waren er elektrische stormen de afgelopen dagen?”

“Meer dan één!” zei de sergeant. “Gisterennacht was er een hevige; verbrandde de circuits in de jeep. Klotestormen! Ik hoop voor jou dat je generators goed geïsoleerd zijn, want het ziet ernaar uit dat we een ruige paar uur tegemoet gaan. Ga, controleer of je reserve wel zeker werkt. Zodat we tenminste tijd hebben om iedereen hier buiten te krijgen, als de eerste het begeeft. Deze kerk heeft een lugubere voorgeschiedenis die je liever niet hoort. Je wilt hier niet in het donker zitten.”

Mina’s maag deed een salto in haar buik, en ze draaide zich om naar het altaar.

De bruid en de bruidegom stonden vooraan, en de ceremoniemeester sprak hen toe.

“Shit!” zei Mina, en ze keek van het raam, waar het knetterende licht te zien was, naar het altaar.

Een volgende donderslag weergalmde als een waarschuwing doorheen de hele kerk, en deed heel wat mensen nerveus op hun plaats bewegen. Maar hun blikken werden pas echt bezorgd toen ze Mina het verhoog op zagen stappen, en ze naast de ceremoniemeester ging staan.

“Wat doe je?” siste de bruid, en ze keek Mina met een meer dan giftige blik aan.

“Geen paniek mensen!” zei Mina, zo luid als ze kon. “Er is een klein probleem met onze tweede generator, en om uw veiligheid te waarborgen, moet ik u verzoeken terug te keren naar uw auto’s en terug te keren naar de stad. Gelieve niet te duwen, maar op een ordelijke manier naar buiten te gaan, en de instructies van het veiligheidspersoneel exact op te volgen!”

De bruid, zichtbaar geschokt tot in het diepst van haar ziel, greep Mina bij de pols.

“Ben je geschift?” siste ze. “Wacht dan toch vijf minuten tot we getrouwd zijn!”

“Er is geen haast bij!” verhief de bruidegom zijn stem. “Blijf even zitten!”

Een volgende rommelende donderslag weergalmde doorheen de oude kerk; de schokgolf van het geluid zo intens dat de kleinere lampen er zachtjes door bewogen. Knetterende lichtdraden waren een moment lang aan alle ramen te zien, alsof het enorme spinnenwebben waren.

Dan doofden de lichten.

Hoofdstuk 3

In het moment dat de vele lampen in de kerk doofden, ontstond er al paniek. Mensen sprongen recht van de houten banken. Angstkreten weergalmden doorheen de eeuwenoude kerk, die nu enkel door het licht van de honderden kaarsen werd verlicht.

Dit licht was nauwelijks beter dan een volstrekte duisternis.

Het gele schijnsel was voldoende om bij te kunnen zien, maar volstond niet om schaduwen uit de kerk te bannen, laat staan de diepe duisternis die zich van de donkere hoeken meester maakte. Het zwakke licht gaf bovendien de gedaanten van de paniekerige mensen een dreigend opzicht. En doordat de vlammen van de kaarsen op en neer dansten door de tocht in de kerk, bewogen de immense en dreigende schaduwen op de muur op een werkelijk angstaanjagende manier.

Mina stond een moment bevroren naast het altaar.

Alsof de dood plots was opgedoemd en vlak voor haar stond.

De meer dan honderd genodigden verspilden geen moment tijd en sloegen op de vlucht. Fatsoen en meelevendheid leken met het licht uit de kerk verdwenen te zijn. Trekkend en duwend poogden ze allen om zo snel mogelijk bij de grote houten deuren te komen. Om naar hun auto’s te vluchten, die hopelijk niet door de elektrische storm waren getroffen.

Als dat wel zo was en hun lichten werkten eveneens niet meer… wat dan?

Mina’s onderlip trilde toen ze zich voorstelde wat er dan met hen zou gebeuren.

Er was een verlichte weg maar die bevond zich een heel eind verderop. En wie weet welke gruwelen scholen er in de duisternis die de kerk van de weg scheidden.

Mina zag een man in het gangpad struikelen

Andere genodigden stapten op hem.

Plots klonk het ratelen van een zwaar machinepistool.

Mina zag dat de sergeant op het verhoog was gestapt. Hij schoot met zijn pistool naar het dak van de kerk. Mina keek naar boven. Er was niets te zien. Plots schalde de zware stem van de sergeant doorheen de kerk. Ze overtrof zelfs het rommelen van de elektrische storm die buiten raasde.

“Iedereen blijft staan!” bulderde de geharde huurling.

Op een paar mensen na bleven ze allen staan.

Omkijkend naar de sergeant, die vlak naast Mina vooraan op het verhoog stond.

In het flikkerende licht van de kaarsen, had de sergeant er als een dreigende schaduw uitgezien als hij niet een zaklamp had ontstoken en die aan zijn gordel had gehangen. De lichtbundel, hoewel hopeloos onvoldoende om de schaduwen in de kerk te verdrijven, scheen de angstige mensen toe als een soort baken. Ze richtten er hun blik op, net als op het machinepistool van de sergeant, waarop een kleinere zaklamp met een smalle lichtbundel was bevestigd.

Ze hervonden voldoende moed om een moment naar de sergeant te luisteren.

Mina zag dat ook de andere huurlingen, die verspreid overheen de kerk stonden, zaklampen aan hun gordel hadden bevestigd. Ze hadden eveneens kleinere zaklampen aan hun wapens bevestigd, en de lichtbundels die doorheen de kerk schenen, hielpen om de paniek wat te kalmeren.

“Oren open en luisteren, allemaal!” bulderde de sergeant.

Ook Mina keek de man aan, meer dan bereid om zijn orders op te volgen.

“We weten niet wat er uit deze schaduwen naar voren kan treden.” zei de sergeant. “Ik kan jullie niet beschermen als jullie zoals een bende idioten naar buiten rennen, elkaar vertrappelen, en dan alle kanten uit stuiven. De kans bestaat dat er ook auto’s door de elektrische storm zijn getroffen. Het kan ook dat wat nu nog werkt, dat straks niet meer doet. Ga ordentelijk naar buiten en blijf bij elkaar. Ga niet naar je auto’s maar blijf waar mijn mannen jullie kunnen beschermen.”

Mina knikte naar de sergeant, ook al keek die niet haar kant uit.

“We zullen samen naar de weg gaan.” zei de sergeant.

“Ja maar!” riep een vrouw vanuit de menigte. “Op de weg is het ook gevaarlijk!”

“We blijven in het midden, waar het licht het felst is.” zei de sergeant. “En als er zich gekwelden tonen aan de rand, dan zullen mijn mannen en ik ermee afrekenen. Dus blijf bij elkaar! Ik kan jullie veiligheid niet garanderen als je er op je eigen houtje vandoor gaat. Nu naar buiten! Zonder getreuzel en zonder elkaar als een bende beesten te vertrappelen!”

De mensen haastten zich weer naar de grote houten deuren van de kerk.

Dit keer echter kalmer, en ze hielpen diegenen die al waren gevallen weer recht.

Mina bewonderde de sergeant om zijn beheerste optreden. Ze besloot bij hem te blijven.

Doordat zij vooraan in de kerk stonden, moesten ze achteraan in de rij aanschuiven. Mina bleef bij de sergeant in de buurt terwijl ze tussen de banken stapten. De ceremoniemeester stapte vlak voor haar, zijn boek stevig in zijn armen geklemd. Hij stonk naar zweet. Net als vele anderen.

Zelfs na zo’n korte tijd begon de geur van angst de kerk te vullen.

“Waar is het bruidspaar?” vroeg Mina zich plots luidop af.

Zowel zij als de sergeant bleven staan en keken rond.

Het koppel kwam hand in hand aanrennen van ergens vooraan in de kerk. De man droeg een tas in zijn vrije hand. De vrouw hield ook iets in haar hand. Mina kon niet zien wat het was, maar gaf er ook niet langer dan een moment aandacht aan. Het moest wel iets kostbaars zijn, want ze klemde het stevig in haar hand. Zo stevig dat haar onderarm erdoor trilde.

Misschien wel de ringen.

Mina’s hart brak toen ze dacht aan hoe dit voor het bruidspaar moest zijn.

“Het spijt me ontzettend…” begon Mina zich te verontschuldigen.

De man stapte langs haar heen. Alsof hij haar niet zag staan.

De aanstaande bruid kwam vlak voor Mina staan.

Haar ogen vol haat.

“Je wordt bedankt hoor!” zei ze. “Hier, je betaling voor bewezen diensten!”

De vrouw opende haar hand. Ze hield er een heleboel munten in.

Voor Mina die kon nemen, slingerde vrouw ze van zich af.

Naar het altaar. Waar ze rinkelend op de vloer vielen.

Zonder nog een woord te zeggen, haastte de bruid zich achter haar aanstaande man aan. Achter de laatste genodigden aan door de grote houten deuren. Mina voelde de sterke hand van de sergeant op haar arm, en ze keek hem aan.

“Laat zo…” zei de man, doelend op de over de grond verspreide munten.

“Kan ik niet.” jammerde Mina. “Ik heb dat geld nodig; mijn zus heeft het nodig.”

“Ik kan niet bij je blijven.” zei de sergeant. “Buiten staan meer dan honderd mensen.”

“Ga maar!” zei Mina, al hoopte ze dat de sergeant toch zou blijven. “Ik kom echt meteen!”

“Je hebt een minuut, misschien niet eens.” zei de sergeant. “Dan vertrekken we naar de weg.”

Mina knikte en trok haar arm los uit de greep van de geharde huurling. Hij greep haar echter meteen weer vast. Dit keer steviger. Alsof hij van plan was haar mee naar buiten te trekken. Als hij dat deed, kon ze zich waarschijnlijk niet uit zijn greep bevrijden.

“Alsjeblieft…” zei Mina. “…mijn zus had een ongeluk en alleen ik kan haar helpen.”

“Ziekenhuiskosten?” vroeg de sergeant, waarop Mina bedroefd knikte.

“En boetes.” zei ze met trillende stem. “Het ongeluk was haar fout.”

“Haast je!” zei de sergeant. “Dit is een kwalijke plaats.”

Hij liet haar arm los en Mina rende naar het altaar.

De munten lagen verspreid over de grond. Mina moest op handen en voeten rondkruipen. Af en toe zag ze een schittering van het kaarslicht op het metaal. Ze raapte telkens zo snel als ze kon de munt op, stopte ze in haar heuptasje, en kroop dan verder over de oude vloer.

Buiten raasde het onweer steeds heviger.

De tocht die door de kerk blies, doofde een aantal van de kaarsen. Mina merkte het.

Doodsbang om helemaal in het donker te zitten, tastte ze wild met haar handen om zich heen.

Er was niemand anders meer in de kerk behalve zij. Toen ze het slaan van een deur hoorde, keek ze op in de hoop de sergeant te zien. In plaats daarvan zag ze vele tientallen schaduwachtige figuren door de houten deuren naar binnen schuifelen. Ondanks het zwakke kaarslicht zag ze meteen dat het niet de genodigden van de bruiloft waren. Het waren menselijke figuren, dat wel.

Het ontbrak hen echter aan een gezicht, of details in hun kledij.

Schaduwen, het waren schaduwen in de vorm van mensen.

In een steeds grotere menigte naar voor drummend.

Plaatsnemend op de oude houten banken.

Mina bleef verstijfd van angst zitten.

En een stille traan bolde over haar wang.

Hoofdstuk 4

Mina keek om zich heen in de hoop een schuilplaats te vinden. De kerk voor haar liep zo snel vol met honderden schaduwfiguren dat langs daar ontsnappen geen mogelijkheid was. Zich in de biechtstoel verbergen, die dichter bij het het verhoog en in een van de zijbeuken stond, was ook geen optie.

Meerdere schaduwachtig gedaanten verdrongen zich vlak voor de biechtstoel.

Een voor een gingen ze er naar binnen, en kwamen dan weer buiten.

De meeste anderen namen plaats op de oude houten banken of stonden rechtop aan de zijkanten van de oude kerk, vlakbij de oude schilderijen en de heiligenbeelden. Enkelen knielden neer voor de kruisbeelden her en der, met hun schaduwhanden voor zich gevouwen als waren ze aan het bidden.

Mina nam aan dat ze naar een bijeenkomst van volgelingen van deze kerk keek

Of beter gezegd; iemands herinnering aan de bijeenkomst van volgelingen.

Die iemand, wilde ze niet ontmoeten.

Op handen en voeten over de vloer kruipend als een angstig dier, verborg Mina zich onder de tafel waarop de ceremoniemeester eerder zijn spullen had neergelegd. Nu stonden er enkel nog een oude beker en enkele half opgebrande kaarsen op. Er was geen doek over de tafel gelegd waarachter ze zich kon verbergen. Mina wenste dat diegenen die de kerk hadden ingericht voor de trouw, zich de moeite hadden getroost om een tafelkleed over het oude hout te leggen.

Dan had ze iets gehad om zich achter te verbergen.

De lucht rondom Mina rook nu nog intenser naar angstzweet. Maar dit keer was het haar eigen zweet dat ze rook. Enkel haar eigen zweet. Vermengd met de geur van oud hout, en de prikkelende rook van de kaarsen in de kerk. Buiten klonk het donderende onweer alweer luider. De webben van licht die eerder voor de ramen hadden geknetterd, leken nu echter verdwenen.

Een ijselijke kreet deed het bloed in Mina’s aderen stollen.

Niet in staat zichzelf te beheersen keek ze achterom.

Door de houten deur in de kerk werd een vrouw naar binnen gesleept.

In tegenstelling tot de schaduwachtige gedaanten die haar vooruit sleepten, was zij niet gehuld in schaduw en duisternis. Zelfs in het flikkerende licht van de kaarsen zag Mina haar duidelijk. Haar lange haren los om haar schouders heen hangend. Gezicht vertrokken in doodsangst. Bloed sijpelend uit vele kleine wonden op haar gezicht. En in haar hals.

Haar kleren waren gescheurd. Haar beide borsten ontbloot.

De vrouw zag er hulpeloos uit maar maakte Mina doodsbang.

“Nee!” krijste de vrouw, proberend zichzelf te bevrijden. “Jullie vergissen je!”

Ze rukte zo wilde aan haar armen dat het leek alsof ze zichzelf een arm zou aftrekken. Maar ze had geen kans om aan de greep van de schaduwachtige gedaanten te ontsnappen. Net zomin als het haar honderden jaren geleden was gelukt. Als het haar wel was gelukt, dan zou de tragedie waarvan Mina nu getuige ging zijn, zich niet hebben voltrokken.

Dan zou de zonde die zich hier had voltrokken deze vrouw niet hebben doen terugkeren.

Om haar lijden en haar dood te herbeleven, keer op keer opnieuw.

En om de wreedheid die haar was aangedaan te wreken.

Op elke levende ziel die ze op haar pad vond.

“Spaar mij!” krijste de vrouw. “Ik deed niets verkeerd! Almachtige vader, ik zweer het!”

De kerk zat nu vol met vele honderden schaduwachtige gedaanten, zoals die toen de vrouw nog leefde vol met volgelingen had gezeten. Er was amper plaats voor hen om te bewegen. Zelfs indien de vrouw er toen in was geslaagd om zichzelf te bevrijden, dan nog had ze geen enkele kans gehad om te ontsnappen.

Ook op het altaar stonden nu duistere gedaanten, met wijd geheven armen.

“Dit is moord!” krijste de vrouw, terwijl ze op het verhoog werd gesleurd.

Ze liet zich nu helemaal hangen alsof ze daarnet haar laatste krachten had opgebruikt. Ze werd zo dicht langsheen de tafel gesleept, dat Mina de bloederige voeten van de vrouw kon zien. Haar schoeisel was afgenomen. En het leek alsof iemand met iets zwaar op haar tenen had geslagen tot die weinig meer dan bloederige stompjes waren.

Waar haar voeten sleepten bleef een donker spoor van bloed achter.

“Ik vergeef het jullie allemaal!” krijste de vrouw. “Maar laat me alsjeblieft gaan!”

Vooraan op het verhoog was een schaduwachtig kruis verschenen, dat daar een moment eerder niet stond. Het was zeker twee meter hoog, en was vervaardigd uit twee zware houten balken. Sterke handen bonden de vrouw met touwen, die uit het niets verschenen, vast aan het kruis. Haar armen op haar rug. Een touw om haar nek.

Mina hoorde de vrouw rochelen toen het touw werd aangetrokken.

“Ik smeek jullie…” jammerde de vrouw met hese stem. “…doe dit niet…”

Haar uitpuilende ogen keken de kerk rond, de toeschouwers om genade vragend.

Plots draaide haar blik zich in de richting van de tafel. Mina besefte dat ze gezien was en kwam onder de tafel uit gekropen. De schaduwachtige gedaanten die tot dan toe met geheven armen aan het altaar hadden gestaan, grepen haar stevig vast. In opzicht mochten ze dan niet meer dan schaduw en duisternis lijken, hun grip was sterker dan die van een levende.

“Nee!” krijste de aan het kruis gebonden vrouw. “Niet mijn zus, schoften!”

Mina hield op met zich verzetten tegen de schaduwachtige gedaanten.

Ze had dit zelf nooit eerder meegemaakt.

Maar ze had verhalen gehoord.

Ondanks hun tastbare vorm, waren de schaduwachtige figuren niet meer dan schimmen. Deel van de gekwelde vrouw aan het kruis, die haar lijden en dood herbeleefde. Ze hielpen haar, in zekere zin, om het drama te herbeleven. Maar ze waren niet bewust zoals de vrouw zelf. Het was zij, die het hele drama herbeleefde. Het was zij die de schaduwgedaanten opriep, om te helpen haar lijden keer op keer te herhalen. Het was zij die nu alle touwtjes van dit gruwelijke tafereel bediende.

Het was van haar reacties dat Mina’s leven nu afhankelijk was.

Blijkbaar had haar zus een rol gespeeld in het drama.

En dacht ze dat Mina haar zus was.

Beter dat ze dit bleef denken.

Misschien doodde ze haar dan niet; en kon ze in leven blijven tot er hulp opdaagde.

Mina had echter geen idee wat er al die tijd geleden in de kerk had plaatsgevonden. Geen idee wat de rol van de zus was geweest, en welk lot haar zo dadelijk te wachten stond.

De schaduwachtige gedaanten trokken haar mee naar het kruis.

“Nee!” krijste de vrouw hees. “Laat haar los, schoften!”

“Ik ben geen heks! Maar als je haar dood vervloek ik jullie!”

“Schoften! Luister naar mij! Ik zal jullie allemaal vervloeken!”

Plots veranderde de stem van de vrouw van toon, en sprak ze niet meer voor zichzelf.

“Heks!” klonk haar stem, diep en traag nu. “Dit onschuldige kind zal je zuiveren van zonde.”

Mina kreeg een mes in de hand geduwd; een mes dat een moment lang enkel schaduwen was maar dan in glimmend staal veranderde. De schaduwen rondom haar weken achteruit, maar sloten haar in omheen het kruis. De vrouw keek haar aan, en sprak nog steeds met de andere stem.

“Bewijs je trouw aan deze kerk!” sprak ze gebiedend. “Doe haar lijden voor haar zonden!”

Mina wist niet wat ze nu moest doen; ze had geen idee wat er nu zou gebeuren.

Had de zus het bevel opgevolgd. Of niet, en was ze uit wraak ook vermoord.

Indien dat het geval was, dan zou de zus zo dadelijk ook opdagen.

Mina keek om zich heen maar zag nergens een teken van haar.

“Doe het!” sprak de vrouw met een gebiedende stem.

Mina hief het mes en stak het diep in de buik van de vrouw aan het kruis. Ze was niet van zin de vrouw te martelen. Maar als ze haar weer tot op het hoogtepunt van haar lijden kon krijgen. Als ze haar zover kon krijgen het moment van haar dood te herbeleven. Dan kon ze haar verlossen. Dan kon ze deze gekwelde ziel de rust geven die ze al zo lang niet kon vinden.

Dan kon ze de zonde die daar was begaan ten einde brengen.

“Help!” krijste de vrouw aan het kruis. “Help mij dan, alsjeblieft!”

Mina kon niet anders dan blijven toesteken met het mes. Maar het waren niet haar steken die de vrouw verwondingen toebrachten. Op andere plaatsen overheen haar lichaam verschenen hevig bloedende snijwonden. In haar armen en haar benen. In haar hals en haar gezicht. Op haar borsten en overheen haar buik en heupen. Tot bloed uit haar hele lichaam stroomde, en haar lichaam zwak en gebroken tegen de touwen van het kruis hing.

Mina hief haar mes met trillende hand en vroeg zich af of dit het moment was.

Was dit het moment dat de vrouw overleden was? Moest ze nu toesteken?

Moest ze nu de genadeslag brengen en de arme vrouw haar rust geven?

Plots hief de bloedende vrouw haar hoofd en keek Mina aan.

Alle angst in haar blik was nu vervangen door haat.

“Moordenaars!” brulde ze.

Mina besefte dat ze te laat was; dat ze een moment te lang had gewacht.

Bloed spoot uit alle wonden van de vrouw. Zo hevig dat Mina achteruit moest deinzen.

Plots kwamen de touwen die de vrouw vastgebonden hielden in beweging. Ze kwamen niet ten volle los, maar de uiteinden zwiepten om het kruis en de vrouw heen. Als slangen die vervaarlijk naar een prooi op zoek waren. De vrouw bevrijdde haar armen, maar bleef verder met haar lichaam aan het kruis vastgebonden. Toen trok ze het kruis los van de grond.

En boog voorover, de enorme houten last op haar gebogen rug dragend.

“Moordenaars!” brulde ze. “Zondaars! Tijd om te boeten voor jullie zonden!”

Mina zette het op een rennen. Dat kon ze doen omdat de schaduwachtig gedaanten allemaal aan de kant weken voor de monsterlijk verschijning van de vrouw. Die richtte zich echter niet op de schaduwen in de kerk. Ze rende met het enorme kruis op haar rug, bloedend uit al haar wonden en krijsend van woede achter Mina aan.

Mina rende van het verhoog af maar de vrouw was sneller dan zij.

Ondanks de zware last die ze torste bewoog ze sneller dan menselijk was.

“Aan de kant!” klonk plots een bulderende stem.

Mina zag de sergeant zijn machinepistool richten en liet zich op de grond vallen.

Het wapen ratelde met een verschrikkelijk kabaal. Tientallen kogels uitbrakend in de richting van de vrouw met het kruis op haar rug. Mina kroop weg tussen de banken. Uit haar ooghoek zag ze de tientallen kleine lichtflitsen van het ratelende wapen. De knallen weergalmden eindeloos.

“Hierheen!” brulde de sergeant, boven het helse kabaal uit.

Mina probeerde, maar de vrouw met het kruis rende langs haar heen.

Een harde duw deed Mina tussen de houten banken belanden.

Ze zag hoe de vrouw achter de sergeant aan rende.

De touwen waarmee ze was vastgebonden om zich heen zwiepend.

Een van de touwen kreeg de sergeant te pakken. Eerst sloeg het hem als een zweep; en bloed spoot uit de arm die het raakte. Dan wikkelde het touw zich omheen de neergevallen sergeant, zoals een slang zich om zijn prooi wikkelt.

De vrouw keerde terug naar vooraan in de kerk en nam hem mee.

Gebocheld door het enorme kruis stapte ze met grote stappen langs Mina.

Die rende door het gangpad. Ze bereikte de deur en kon makkelijk ontsnappen.

Maar ze nam het machinepistool van de grond. Het was veel zwaarder dan ze zich herinnerde van de veiligheidsopleiding die ze ooit eens had gekregen. Veel te lang geleden intussen. Maar haar handen herkenden het wapen nog. En hoewel het niet helemaal hetzelfde was als datgene waarmee ze ooit had geschoten, had ze het in een moment goed in de hand.

Vinger op de trekker, klaar om te schieten.

Vooraan bij het altaar hing de sergeant hoog boven de grond. Vastgehouden door een touw dat als een rechtopstaande slang naar het plafond toe reikte. De andere touwen zwiepten om hem heen en begonnen zijn benen te striemen. Bloed droop reeds langs de tippen van zijn laarzen omlaag.

Mina rende tot vlak naast de vrouw en loste een salvo op haar hoofd.

De kogels drongen diep door in haar schedel. Bloed spoot uit de wonden.

De touwen lieten de sergeant los. Hij viel naar beneden en belandde met een smak op de tafel waar Mina zich even tevoren nog onder had verborgen. Het was een zware val, maar zijn kreunen zij Mina dat hij tenminste nog in leven was.

De vrouw stapte weer naar de plaats waar het kruis oorspronkelijk stond.

Daar hernam ze haar positie toen ze werd gemarteld en vermoord.

Bloed droop uit haar wonden terwijl ze haar beulen om genade smeekte.

Mina richtte het wapen op haar hoofd en wachtte tot het moment daar was.

Plots liet de vrouw haar hoofd hangen.

Mina haalde de trekker over.

Het wapen blokkeerde.

Met geen seconde te verliezen draaide Mina het wapen om. En sloeg met het heft ervan tegen het hoofd van de vrouw, tot haar hele gezicht met opspattend bloed bedekt was. Dan strompelde ze hijgend achteruit en keek toe terwijl de vrouw en het kruis vervaagden.

“Vergeef ons de zonden van onze vaderen…” zei Mina.

“Vergeef ons…” zei ook de sergeant, naar haar toe strompelend.

De vrouw en het kruis losten op in de schaduwen.

Waaruit ze nu nooit meer zouden weerkeren.

Mina en de sergeant draaiden zich om.

De kerk achter hen was weer leeg.

Hoofdstuk 5

Het licht van de lampen scheen geruststellend op Mina’s gezicht, reflecterend in de enorme spiegel die achter de bar was opgehangen. Desondanks trilde haar hand toen ze het glas dat de barman voor haar had neergezet optilde. Omdat het trillen te hevig was, zette ze haar glas weer neer.

Rondom haar klonk het geroezemoes van vele mensen die ze niet kende.

Een enorm dikke man was met enkele vrienden naar de bar afgezakt om zijn verjaardag te vieren en ze hadden een taart meegebracht. Een enorm geval, met zoveel aardbeien dat het decadent was en meer slagroom dan zelfs voor een zoetekauw redelijk kon worden genoemd.

Het groepje mannen had de taart luidruchtig opgegeten aan de tafel achter Mina.

Ze kon de aardbeien nog steeds ruiken, ook al waren ze intussen allemaal opgegeten.

Mina bekeek zichzelf in de spiegel achter de vele kleurrijke drankflessen, en zag dat ze nog wat bloed op haar hals had. Ongetwijfeld van de sergeant, die op haar had geleund toen ze de kerk uit gingen. Had niemand het haar kunnen zeggen? Ze zat al een uur in deze bar, en nogal wat mensen hadden haar aangekeken. Iemand van hen moest het bloed hebben gezien.

Misschien wisten ze liever niet hoe het daar kwam.

En meden ze daarom het onderwerp.

Of misschien wisten ze het allemaal al. Dat zij de vrouw was die zonet een dure bruiloft in het water had doen vallen door een gebrekkige lichtopstelling. Misschien was dat wel de reden dat ze naar haar keken. En de reden dat ze niets tegen haar zeiden of zelfs maar even knikten.

Een traan bolde over Mina’s wang terwijl ze naar haar volle glas keek.

“Hoe moet ik nu in vredesnaam aan geld komen…” mompelde ze.

Iemand trok de kruk naast de hare schrapend over de houten vloer naar achter.

Mina keek om en zag dat de sergeant zich op de kruk hees. Met meer moeite dan het hem had gekost als hij niet gewond was geweest. Ook haar schuld. Ze wierp even een blik op het verband om zijn schouder en wendde dan meteen haar blik af.

“Ik zei toch al…” zei ze. “…ik heb geen geld om je schade te vergoeden.”

“Nee?” klonk de zware stem van de sergeant. “En het geld dat je opraapte?”

“Dat heb ik niet meer.” zei Mina. “Ik heb het naar de dokters gebracht. En met het laatste geld dat ik nog voor mezelf over had, heb ik dit glas laten vullen.” Ze hield het op zonder om te kijken, en zag dat haar hand nog net zo hevig trilde als daarnet. “Als je wilt is het van jou. Ziet ernaar uit dat als ik er probeer van te drinken, ik het toch maar over mezelf zou morsen.”

“Het trillen verdwijnt nooit helemaal.” zei de sergeant. “Maar het betert mettertijd. Naarmate je meer ervaring opdoet en leert appreciëren dat wat er ook is gebeurd, je nog steeds leeft.”

“Ik ben niet van plan nog meer van zulke ervaringen op te doen.” zei Mina.

“Zonde.” zei de sergeant, en nu keek Mina hem wat verbaasd aan.

Achter hen hieven enkele vrienden van de dikke man een verjaardagslied aan.

Mina keek hen een moment geërgerd aan en richtte dan haar blik weer op de sergeant.

Die gebaarde de barman en vroeg om een glas whisky, vooraleer hij verder sprak.

“Luister.” zei hij dan tegen Mina. “Dat gedoe met die generators was klote en jouw fout. Wie de leiding heeft, draagt de verantwoordelijkheid. Als er doden waren gevallen, dan kon je nu nadenken over hoe je het aan de rechters zou uitleggen. Maar er is niemand dood en na die stunt van de bruid met dat geld, denk ik niet dat ze je nog zullen aanklagen. En als ze dat wel doen, dan vertel ik wel aan de rechter dat die vrouw jou probeerde te vermoorden. Of te laten vermoorden, in elk geval.”

“Bedankt, neem ik aan.” zei Mina, en ze zette haar glas trillend weer neer.

“Ik begrijp dat je geld nodig hebt.” zei de sergeant na een slok van zijn whisky. “Als je klaar bent met jezelf verwijten maken over wat er is gebeurd, wil ik je een baan aanbieden. Mijn mannen en ik zoeken allang een verlichtingstechnicus, maar we vinden er geen die ons aanstaat. Het loon is redelijk en als we extra betaald krijgen dan verdelen we het geld onderling. Jij krijgt minder omdat je maar net bij de groep bent, maar als je in leven weet te blijven kan je mettertijd meer verdienen.”

Mina keek de sergeant niet begrijpend aan.

“Waarom zou je mij in dienst nemen na wat er net gebeurd is?”

“Op missies meekomen is niet bepaald hetzelfde als in de stad werken. Ik vind zo iemand die de job beter kan doen dan jij, maar zelfs als ze willen meekomen, hoe lang zullen ze dan leven. Jij bent een overlever, dat heb je daarnet bewezen. Je weet jezelf uit de slag te trekken én je bent niet bang om de trekker over te halen als het moet.” Hij dronk zijn glas leeg en sloeg het neer op de bar. “En maak je maar geen zorgen dat je dezelfde fout zal maken die je vandaag maakte. Als je deel uitmaakt van mijn eenheid dan ben ik de baas. En als het nodig is dan trap ik het wel in je dikke kop dat je altijd je materiaal dubbel en driedubbel nakijkt. Je krijgt geen kans meer om onvoorzichtig te zijn.”

De sergeant keek haar aan en er verscheen een grijns op zijn gezicht.

“En daarbij…” zei hij. “…heb je soms andere plannen, meid?”

“Steeds weer de duisternis in…” mompelde Mina.

“Geen zorgen.” zei de sergeant. “Je hoeft niet vooraan te lopen. Wij beschermen je wel, al dat jij moet doen is zorgen voor de verlichting waar dat nodig is. Misschien af en toe mijn leven redden. Ik neem aan dat dit geen moeite is. Je deed het daarstraks tenslotte ook.”

Mina dacht aan haar zus; aan het geld dat ze nodig had.

Dan stak ze haar hand uit en de sergeant schudde ze.

“Welkom bij het team.” zei de sergeant. “Drink je glas leeg, en kom mee.”

Mina hief haar glas voor de derde maal, en zag dat haar hand niet meer zo hevig trilde.

Met één grote teug dronk ze haar glas leeg en smakte het neer op de houten toog.

Dan stond ze recht, en volgde de sergeant met een opgelucht gevoel de bar uit.

Het volgende Gratis verhaal vanaf 01 juni tot en met 15 juni 2020.

Alle hens aan dek voor Noor, want een van haar kleine meiden heeft een auwauw tand! Wat doe je als je kleine meid brult van de tandpijn? Naar de tandarts snellen, uiteraard! Maar wat als je kleine meid een van vijf ondeugende Hartendiefjes is? Noor zal het geweten hebben! Keer terug naar de gezellige wereld van de Hartendiefjes met dit nagelnieuwe kortverhaal. Jeugd / Humor  

Lees ook de andere boeken en kortverhalen van Peeters Björn

Alle boeken zijn te koop als e-book, en gratis te lezen met Kobo Plus Alle kortverhalen zijn te koop als e-book. * * * Dit kortverhaal op je e-reader? Alle kortverhalen van Peeters Björn zijn wereldwijd beschikbaar als e-book (2.99 euro) bij Kobo, Amazon, Bol.com en andere verkopers. Ook steeds gratis te lezen met het Kobo Plus abonnement.