HÉ BJORN, WAT SCHRIJF JE NU WEER? – EPISODE 25

NIEUWS UIT HET (SCHRIJVERS)LEVEN VAN PEETERS BJÖRN

EEN SNELLE UPDATE

Even een snelle update voor ik weer verder ga met schrijven. Na enkele dagen (iets te) hard doorwerken heb ik het een paar dagen kalmer aan gedaan. Kwestie van in evenwicht te zijn. Vandaag uitgeslapen en daardoor wat minder tijd nu. Eerst naar de training geweest, nu een uurtje schrijven, dan aan tafel voor het middagmaal en daarna nog een tijdje schrijven.

Daarna nog wat tijd aan het gezin besteden (er is meer in het leven dan verhalen schrijven).

Vandaag is het vijfde verhaal in de MOSSEL! reeks verschenen (e-book) dus iedereen die het al in voorbestelling had gekocht zou het nu moeten hebben. In maart verschijnt de eerste MOSSEL! verhalenbundel (e-book) dus al wie wil kan de vijf eerste verhalen samen kopen. De bundel zal ook te lezen zijn in het KOBO PLUS abonnement. Dus voor zij die mijn verhalen in het abonnement lezen, nog heel even wachten en dan is MOSSEL! ook beschikbaar. Behoudens een uitzondering zullen geen afzonderlijke kortverhalen van mij meer in het abonnement te lezen zijn. Heeft te maken met de manier waarop royalty’s worden uitbetaald.

Enkel bundels en boeken in het abonnement dus.

Geen zorgen, je kan nog steeds (zo goed als) alle verhalen van mij in het abonnement lezen. Het kan alleen iets langer duren omdat je moet wachten op de bundel. Goed nieuws is dat er dit jaar best wel wat bundels op de planning staan. Waaronder een bundel kortverhalen uit de OP KOT reeks en natuurlijk ook voor de MAMA BETSY RADIOSHOW.

Later dit jaar komen er ook boeken aan!

Over de OP KOT reeks gesproken, volgende week zaterdag verschijnt er een nieuw kortverhaal in die reeks. De titel is GEWAARSCHUWD en ik vind het best een geinig verhaal. Als je houdt van humor en gekke toestanden in het studentenleven, moet je het maar eens proberen. Hieronder heb je alvast de cover en de flaptekst.

Hou je rok vast, want er blaast een nieuwe wind door de boekenwinkel! Geïnspireerd door zijn eigen verblijf in een studentenkamer, presenteert Björn Peeters de reeks OP KOT. Hilariteit troef terwijl deze jonge meiden hun weg in het leven zoeken. Te beginnen met een kamer waar het behang niet van de muren krult (en de kotbaas niet helemaal kierewiet is). Dacht je dat dat makkelijk was? Ha! Lees dan de avonturen van deze meiden maar eens!

In GEWAARSCHUWD begeeft Lani zich met kloppend hart naar de stad. Ze moet op zoek naar een kot, maar het loopt al meteen fout op de trein. Mensen staren haar aan. Wat moeten al die mensen wel niet van haar denken! Maar oh, het kan altijd nog erger. Een ding staat vast, Lani zal zich deze uitstap nog lang herinneren. En zij niet alleen!

Kortverhaal (HUMOR)

De OP KOT reeks is 16+

Hieronder deel ik nog een schets en dat zal voorlopig de laatste zijn. Niet omdat ik ze niet fijn vind om te doen, maar omdat ik het niet fijn vind om de verhalen die ik op deze manier start onafgewerkt te laten. Dus ik zal min of meer dezelfde oefening doen die ik met de schetsen voor ogen had, maar dan terwijl ik een volledig kortverhaal schrijf. Dus hieronder de laatste schets die ik heb geschreven. Het is de start van een langer verhaal.

Ik wens jullie allemaal veel leesplezier, en een heel fijn weekend!

Björn

* * *

MEISJESKWESTIES

VERHAALSCHETS

Dit is een verhaalschets, vergelijkbaar met een schets die een tekenaar in zijn schetsboek maakt. Lees het gerust, maar weet dat het niet om een afgewerkt verhaal gaat. Misschien werk ik het ooit verder uit, misschien ook niet. In elk geval wens ik je er veel leesplezier mee.

DYSTOPISCH / FANTASY

Het werd stilaan donker. Het water was kalm. In dat deel van de stad was het niet heel diep, dus kon ik de lange stok gebruiken om mijn sloep vooruit te duwen. De lange, slanke vorm gleed zacht over het water. Het was vooralsnog niet moeilijk om hem tussen de autowrakken en brokstukken van de ingestorte flatgebouwen te sturen. Dat zou veranderen eens het donker werd. Eer het zover was hoopte ik de stad weer uit te zijn.

Ik stak de lange stok in het water en duwde de boot verder.

De wolken boven ons dreven traag overheen de stad. Het zag er niet naar uit alsof het snel weer zou regenen maar ik huiverde evengoed toen ik naar de wolken keek. Al sinds ik kind was had ik die donkergrijze reuzen dreigend gevonden. Toen ik zes was en de eerste van de hele erge overstromingen de streek trof, had ik het idee dat de wolken kwaad op ons waren en dat ze de mensen beneden hen wilden verdrinken. Als volwassen man dacht ik niet meer op die manier over het weer, en toch.

Toch voelde ik nog steeds dat de wolken zich bewust waren van de mensen.

Niet dat ze zich heel de tijd bezighielden met wat er beneden hen gebeurde, beneden in de oude steden en langs de oude asfaltwegen die alles met elkaar verbonden. Maar zo nu en dan zouden ze misschien beneden hen kijken. Wat zouden ze zeggen als ze een sloep zoals de mijne op het water zagen, varend door de straten van een stad die zij lang geleden al hadden verdronken. Een stad die doods hoorde te zijn. Doos en verlaten door alle mensen, zoals zij het wilden. Wat als ze wisten dat ik mijn sloep had volgeladen met spullen afkomstig uit de stad, uit de wereld die zij aan de heerschappij van het water hadden toevertrouwd.

Ik keek omhoog tussen de duistere skeletten van de flatgebouwen.

De wind huilde tussen de geraamten van beton en staal.

De duistere wolken dreven onverstoord verder.

Een heldere rode gloed aan de horizon trok mijn aandacht. Ik hield de lange stok nog steeds in het water maar bewoog hem niet meer. Ik staarde rechtopstaande in de sloep naar de rode gloed en vroeg me af waar het brandde. Het was te ver weg om mijn dorp te zijn, en iets te ver naar het noorden. Weer een fabriek die in brand is gestoken, dacht ik, weer met mijn stok in het water mijn boot verder duwend. Alsof meer fabrieken afbranden ons verder zou helpen. In gedachten zei ik een gebed en hoopte dat de brand niet zou uitbreiden.

Ik hoopte ook dat er geen doden zouden vallen.

Tussen de jutten zakken met plastic schroot en de opgerolde koperkabels, bewoog mijn zoon even. Hij rolde zich op zijn zijkant en dan weer terug. Met mijn jas onder zijn hoofd om als hoofdkussen te dienen. Hij sliep al sinds kort nadat we onze zoektocht hadden gestopt en de weg naar huis hadden aangevangen. Het was goed dat hij sliep. De laatste tijd werd hij alsmaar vaker ziek. Iets meer rust zou de knaap goed doen. Ik kon de sloep zonder hem tussen de wrakstukken in de straat leiden.

Tussen de oude betonnen reuzen in dit stadsdeel rook het altijd onaangenaam.

Naar vocht, naar oud beton en roestend staal. Vergeleken bij de geur van groen eens je de stad achter je had gelaten en de hoge boslanden bereikte, rook de stad naar dood. En ik neem aan dat ze dat ook was. Dood, dood en verlaten. Op de wanhopigen na dan, die zich in de stad waagden om er te duiken en om jutten zakken met plastic te vullen. Om koper en zink en andere kostbare metalen te verzamelen.

Om te zorgen dat er elke avond een warme maaltijd te eten was.

Ik liet de sloep langzaam tot stilstand komen op wat ooit een kruispunt was. Er lagen enkele autowrakken in het water, deels boven het wateroppervlak uitstekend. Langs de kant van de weg lag een gekantelde vrachtwagen. Van de kant die boven water stak waren de banden al lang geleden genomen. Rubber was kostbaar. Het glas van de ramen was ook weg alsook de dekzeilen waarmee de lading lang geleden afgedekt was geweest.

Ik stuurde de sloep voorzichtig tussen de wrakken.

Onder een verkeerslicht dat al sinds vele jaren diep in slaap was.

Een stem trok mijn aandacht. Een vrouwenstem riep op mij en gebood de sloep dichter naar haar toe te varen. Ik keek om me heen maar niet zonder eerst het pistool vanonder mijn bedompte jas te halen. Ze zat een meter of tien bij ons vandaan op een roestige balk die vanaf een wolkenkrabber naar beneden was gevallen, en nu deels in het water en deels bovenop het wrak van een oude bestelbus lag. Ik was van zin om de sloep meteen bij haar weg te sturen maar ze riep om hulp, en mijn hart gebood me om tenminste te kijken.

Met het pistool nog steeds in mijn hand, stak ik de lange stok in het water.

Ik duwde de sloep af en wachtte terwijl hij langzaam dichterbij dreef.

De vrouw riep niet meer maar wachtte af terwijl ik naderde.

Ik stak de stok voor me uit in het water, en bracht de sloep tot stilstand. Dicht genoeg zodat ik de vrouw nog steeds behoorlijk kon zien, in het stervende licht van de avond. Ver genoeg uit de buurt zodat ze niet vanaf de roestige balk waarop ze hurkte tot in de sloep kon springen. Ze had even naar haar blote voeten zitten kijken, maar nu richtte ze haar blik op en haar ogen fixeerden zich aandachtig op mij. Ze kon niet veel ouder dan twintig zijn. Ze was mooi. Haar lippen groot en donker roze gekleurd. Haar wenkbrauwen waren donker en groot en haar ogen daaronder aandachtig en stil. Haar haren krulden zacht rondom haar gezicht en vielen tot op haar boezem. Aan de kruin waren ze donkerbruin maar ze kleurden steeds lichter en onderaan waren ze hoogblond.

Haar oren waren verborgen onder haar haren maar ik zag haar oorbellen.

Groot, rond, dun. Goudkleurig, maar het viel niet te zeggen vanwaar ik stond of het om echt goud ging of imitatie. Ze werden net als haar blonde lokken lichtjes bewogen door de wind. Verder bleef de vrouw onaangeroerd door de wind. Ze zat zo stil dat het haast leek alsof ze niet echt was. Alsof ik het me enkel inbeeldde. Haar huid had een licht schijn, alsof ze een zacht en warm licht reflecteerde.

Haar schouders waren ontbloot en ze hield ze naar voren.

De zwarte bloes die ze droeg bedekte haar buik en borst maar niet overdadig. Ze hield haar armen bij elkaar en drukte daardoor haar borsten tegen elkaar. Haar heupen hadden een aantrekkelijke ronding. Haar benen waren eerder kort maar ze waren welgevormd. Ze was leuk om naar te kijken, heel leuk. Niet enkel om de fraaie vorm van haar lichaam, maar omdat het leek alsof ze kleur bracht in het verder grijze en troosteloze landschap. Ik voelde mijn hart sneller slaan terwijl ik haar verschijning in me opnam. Ze liet me kijken zonder te spreken en zonder haar ogen van me af te halen. Ze hield haar hoofd schuin terwijl ze naar me keek. Ze was niet verlegen. Ze trof me als een vrouw die reeds vele mannen diep in de ogen had gekeken. Een vrouw die wist wat ze kon verwachten. Die wist wat het effect was van haar blik en de welving van haar boezem.

Ze was het soort vrouw dat je graag een lift aanbood in je sloep.

Daarom liet ik mijn sloep niet dichter drijven, en hield ik mijn pistool stevig vast. Het gebeurde niet alle dagen dat een man zulk een mooie vrouw tegenkwam, als hij plastic en metaal ging zoeken in een dode stad. Het gebeurde zelfs zo zelden, dat het in feite helemaal niet gebeurde. In elk geval had ik er nog nooit iemand over horen vertellen. Misschien wel omdat als zij zulk een prachtige verschijning tussen het schroot aantroffen, en haar een lift in hun sloep aanboden, hun vergissing een halve meter onder water lagen te beklagen.

Ik hief mijn pistool zodat ze het kon zien.

Ze verroerde zich niet. Ze keek enkel.

“Wat wil je van ons?” vroeg ik.

“Enkel je hulp.” zei ze.

Ze stond recht.

In haar volle lengte opgericht was ze alleen maar mooier. Ik slikte, en keek hoe ze zich onverstoorbaar kalm van de roestige metalen balk liet zakken. Ze zonk tot haar knieën weg in het water en draaide zich dan naar me toe. Ze hield haar armen naast zich gespreid, haar handen plat op het wateroppervlak alsof ze daarop dreven. Haar ogen fixeerden zich op die van mij. Ik liet mijn pistool zakken terwijl ze dichterbij kwam, maar hield mijn vinger op de trekker.

* * *