HÉ BJORN, WAT SCHRIJF JE NU WEER? – EPISODE 24

NIEUWS UIT HET (SCHRIJVERS)LEVEN VAN PEETERS BJÖRN

ZOVEEL TE VERTELLEN

Er is zoveel te vertellen. Zo ontzettend veel. Soms heb ik het gevoel dat ik iets kan vertellen over mijn leven als schrijver. Over hoe het is om verhalen te schrijven. Nu en dan heb ik een anekdote die volgens mij de moeite waard is om te delen. En soms heb ik het gevoel dat ik niets te vertellen heb, behalve het verhaal zelf. Vandaag is zo een dag. Het voelt alsof ik geen woorden heb behalve die voor al de verhalen die nog voor me liggen. Dus vandaag laat ik jullie achter met enkel deze woorden.

En een verhaal.

Volgende zaterdag verschijnt een nieuw verhaal in de Mossel! reeks. Hieronder vind je de cover en de flaptekst. En daarna het verhaal. Je kan het hier een hele week gratis lezen.

De goegemeente mag al paars aanlopen, want Peeters Björn presenteert een nieuwe humorreeks! Mensen laten zich van hun beste kant zien in MOSSEL – de reeks waar het potje overkookt! Verkeersboete of fles wasmiddel. Kwijlende hond of eierdopje. Soms volstaat elke reden om het vuur aan de lont te steken. En als in doodgewone mensen Het Beest ontwaakt… Welkom in de wereld van MOSSEL! Waar de melk overkookt, de trein van de rails vliegt en de stoppen met stinkende rook doorbranden. Beter dan televisie en ongepaster dan je coke snuivende schoonmoeder.

Leesplezier gegarandeerd!


In TIJDIG opent Hildegard de gordijnen precies op het juiste uur. En ze kijkt naar de buurvrouw, precies op het juiste uur. Want alles heeft zijn tijd, zie je. Alles heeft zijn uur, en dat is EXACT het juiste uur. Dus niet een minuut te laat. Of een minuut te vroeg. Dat doet ertoe. Anders loopt het fout. Hééééél fout zelfs.

Kortverhaal (HUMOR)

De MOSSEL reeks is 16+

MOSSEL! #5: TIJDIG

HUMOR (16+)

Hoofdstuk 1

Sorry, voor dit gratis verhaal ben je te laat. Meer elke twee weken staat er een nieuw gratis verhaal op dfe website. Kijk bij het overzicht om te weten welk gratis verhaal je nu kan lezen!

Zin in meer? Lees ook de andere MOSSEL verhalen!

* * *

Hierna ook nog de schets die ik deze week met jullie wil delen. Het is geen afgewerkt kortverhaal maar het begin van wat volgens mij een veel langer verhaal is. Ik wens jullie er veel leesplezier mee, en een heel fijn weekend allemaal!

Björn

MEISJESKWESTIES

VERHAALSCHETS

Dit is een verhaalschets, vergelijkbaar met een schets die een tekenaar in zijn schetsboek maakt. Lees het gerust, maar weet dat het niet om een afgewerkt verhaal gaat. Misschien werk ik het ooit verder uit, misschien ook niet. In elk geval wens ik je er veel leesplezier mee.

SLICE OF LIFE / HUMOR

Het kostte Ruf meer moeite dan verwacht om bovenop het dak te komen. Te zien aan het oude huis, had hij verwacht dat hij door de deur naar binnen kon. Er woonde toch niemand meer. Helaas, de deur liet zich niet door hem openduwen en hij hield er een splinter in zijn hand aan over.

Een ladder dan maar.

De kruidenier aan de overkant van de straat had er een, maar de oude baardmans wilde hem niet delen met kinderen, ook niet als die al negen en een half waren. Alsof hij niet al jaren wist hoe hij een ladder tegen de muur moest zetten zodat die niet omviel. Goed, dan maar zonder ladder. En de volgende keer dat zijn moeder hem om bloem en eieren stuurde, haalde hij die wel bij de andere kruidenier.

Ruf vestigde zijn hoop vervolgens op de den rechts van het huis.

De stam was dik en de boom kwam met zijn piek tot ver boven de rand van het dak. Bovendien stond hij zo dicht bij de muur van het oude huis, dat Ruf verwachtte makkelijk vanaf de boom tot op het dak te kunnen klauteren. Op voorwaarde dat de rode pannen, die het driehoekige dakje bovenop de rand van het verder platte dak vormden, niet zouden loskomen als hij er met zijn gewicht aan ging hangen. Ze waren al deels overwoekerd met heel donker mos. Een aantal was afgebroken of hing scheef.

“We zullen zien.” zei Ruf, met een sprong zijn armen om de boom slaand.

De rode pannen werden dan toch niet op de proef gesteld.

Binnen de minuut stond Ruf weer beneden, met zijn handen over zijn billen wrijvend. Zijn broek en zijn T-shirt kleverig met de hars van de boom, zijn gezicht en armen ook. Het zou verschrikkelijk hard schrobben vergen om dat spul eraf te krijgen. Met veel te warm water. Hij rook nu naar den, meer dan naar eender wat anders. Maar hij was nog geen centimeter dichter bij het dak geraakt.

De muur zelf moest dan maar als trap dienst doen.

Het witte pleister van de oude muren was op vele plaatsen afgebrokkeld. Een deel ervan lag gewoon op het padje voor het huis. Onder de plaaster zaten ruwe stenen. Zo ruw en onregelmatig van vorm dat het leek alsof ze gewoon van de grond geraapt waren. Misschien was dat ook zo. Stenen genoeg daar in de buurt, en zeker als je een eind het bos in ging tot bij de oude verlaten steengroeve. Stenen zoveel als je wilde. Geen twee dezelfde, maar wie kon dat wat schelen.

Het was zijn geluk, want hij kon zijn vingers tussen de kieren steken.

Zijn voeten, dat was een ander verhaal. Die krabbelden en schraapten wat over de stenen, deden een deel ervan afbrokkelen en op het padje belanden. Halverwege de muur bloedden zijn beide knieën en hij had stukjes steen en afgebrokkeld pleisterwerk onder zijn kortgeknipte nagels. Zijn broek zakte tweemaal af, en toen hij die voor de tweede keer weer over zijn billen trok, liet zijn andere hand onverwacht los.

Knal, met zijn billen op het padje en de losse stenen die daar lagen!

De mekkerige buurvrouw die uit haar raam boog, had geen greintje medelijden. Het huis naast dat van haar mocht dan in verval zijn. Het hare was dat zeker niet. Haar plaaster hing nog tegen de muren en ze had aardewerken potten staan, met goed gewaterde planten erin. Ze zei Ruf om op te houden met daar zo over de grond rollen en janken. En haal die handen van je kont af, schaam je!

Ruf hinkte naar de andere kant van het huis.

Het paadje tussen de huizen liep omhoog daar. Als hij aan het uiterste eind van het huis stond, was het dak een hele meter dichter. Dat scheelde. Hoe kon het dat hij daar niet aan had gedacht? Mopperend nam hij de oude fiets die tegen de gevel van het tegenoverliggende huis stond. Hij wist van wie het oude wrak op wielen was. Als die ouwe Chaff zag dat hij hem nam, dan zouden zijn billen nog meer te verduren krijgen.

Ruf zette de fiets tegen de muur en stond met zijn voeten op het zadel.

Helaas kon hij zelfs dan niet met zijn vingers bij de dakrand.

Dat kwam omdat er omheen het platte dak een muurtje was gemetst. Bovenop dat muurtje was een schuin dak van rode dakpannen gemaakt. Waarschijnlijk omdat het er mooi uitzag, want het diende tot niets. Als dat muurtje en dat rode dak er bovenop daar niet was geweest, had hij vanaf de fiets de dakrand te pakken gekregen, maar nu niet.

Stom dak.

De muur hier was er al net zo slecht aan toen als aan de andere kant van het huis. De herinnering aan de val een paar momenten eerder, deed Ruf afzien van nog een klimpoging. Het licht in de straat was langzaam aan het uitsterven. De lucht was al even niet meer helder blauw maar kleurde donkerder, met paarse en dichter naar de horizon rode tinten. In enkele huizen stond de televisie al aan. Het werd avond en Ruf schatte dat het binnen een uur donker zou zijn. Vanuit een van de huizen kwam de geur van witte kool en goed gepeperde koteletten aandrijven. Het deed zijn maag naar buis verlangen. Een grijs met wit gestreepte kat was het met hem eens en trippelde met snelle pasjes langs zijn fiets naar huis.

Ruf keek om toen her dier miauwde en wenste dat hij zelf een kat was.

Die had al lang op dat dak gezeten.

Hij draaide zich weer om.

Sprong.

Greep.

YES!

Hij had het muurtje aan de rand vast, net onder de rode pannen. De fiets viel om. De bel rinkelde even door de klap op de stenen. Ruf pufte en trok zich op. Dat lukte ten dele, en hij hing krabbelend als een insect tegen de muur. Zonder te vallen. Zonder echt veel op te schieten. Als hij zich kon ophijsen dan kon hij over de rand en het rode dakje klauteren. Als hij losliet dan viel hij op de fiets. Dat zou niet enkel een ramp zijn voor zijn achterste. Als hij de spaken van de wielen brak of het licht of eender wat anders, dan zat er nog maar één ding op.

Zich heel snel uit de voeten maken.

Ruf’s benen krabbelden, zijn voeten schraapten en zijn armen trilden door de inspanning. Als door een wonder kon hij zich voldoende ophijsen om één been omhoog te zwaaien. Zijn voet raakte tot net onder de dakpannen, waar zijn vingers zich voor hun lieve leven aan de ruwe steen vasthielden. Met die extra steun van zijn voet, nog steeds in precaire toestand verkerend, greep hij met zijn rechter hand naar de bovenkant van het schuine dakje. De pannen kwamen niet los. Even later lag hij op adem te komen op de met mos overdekte, ruwe stenen van het platte dak.

Een comfortabele zitplaats was het niet.

Stom dak.

Ruf keek naar de andere kant van het dak, waar hij haar zag zitten.

Gehurkt achter het muurtje aan de rand. Een meter of vier, vijf bij hem vandaan. Ze had zulke lange haren dat het leek alsof er enkel blonde lokken en twee voeten op het dak zaten. En de helft van een rood rokje dat tussen het gordijn van blonde haren piepte. Ruf zag een hand tussen het blonde gordijntje komen. De hand hield iets vast maar hij zag niet wat. Hij ging naar het blonde haar met de voeten toe en ze hoorde hem komen. Ze draaide haar hoofd met een ruk naar hem toe. Ze keek hem aan. Het liefste gezichtje uit het hele dorp. Rond, immer met roze wangen, en een neusje dat het hele dorp sympathiek vond. Maar haar ogen hadden altijd die waarschuwing: “Niet met mij sollen, of je krijgt koeken!”

Een ‘koek’ zijnde een dreun.

Het was geen loos dreigement, en voor een meid van negen kon ze harde koeken uitdelen.

Ruf had al iets meer dan een jaar geleden besloten dat hij met haar zou trouwen. Niet meteen, maar als ze later groot waren en als hij dan niemand anders op het oog had. Weinig kans, maar je wist toch nooit wie je nog tegen het lijf liep. Dat zei zijn vader toch altijd. Hopelijk wist zijn vader dan ook hoe je het best aan een meisje vertelt dat je je hebt bedacht, en toch niet meer met haar wilt trouwen. Cas was er niet het meisje naar om zulk nieuws in ontvangst te nemen zonder op een doos koeken te trakteren.

“Wat doe jij hier?” Ze fluisterde, maar op een toon die aankwam als een steen tegen je kop.

“Ik kom voor jou natuurlijk!” Ruf keek over het muurtje, naar wat er beneden op straat was.

Cas trok hem aan zijn bloes naar beneden en keek hem aan. Haar ogen waren zo groot dat ze goed de helft van haar gezicht in beslag namen, en blauwer dan de lucht op een zomerdag. Haar hand liet zijn T-shirt los maar haar ogen losten de zijne niet. Ze hield een vinger met drie pleisters op voor haar mond en blies sissend lucht tussen haar lippen. Het was meer een dreigement dan een verzoek. Haar andere hand kwam tevoorschijn van tussen de blonde haren die om haar heen hingen. Ze hield hem voor Ruf en opende hem dramatisch langzaam zodat hij kon zien wat ze had.

“Stenen?”

Cas knikte en er flikkerde iets gemeen in haar grote ogen.

Ruf keek naar haar opengehouden hand. Het waren er een tiental, de stenen. Niet heel groot, maar zonder uitzondering onregelmatig van vorm en met scherpe punten en randen. Ruf twijfelde er niet aan dat ze die met veel zorg had uitgekozen voor de gelegenheid. Hij vroeg voor wie ze waren.

“Raad.” zei ze.

Ruf haalde zijn schouders op.

Cas fronste en gaf een geërgerde zwiep aan haar haren.

Zoals altijd rook ze vaag naar het parfum dat ze van haar zus stal.

“Voor Timothy.” zei Cas. “Hij heeft in de boekentas van Cindy gespuwd.”

“Timothy woont niet hier in de buurt.” zei Ruf. “Waarom zit je hier op het dak?”

“Ik heb informatie.” zei Cas, en ze hulde zich in geheimzinnigheid. “Hij komt hier straks voorbij, je zal wel zien. Voor het donker is komt hij hier voorbij. En als hij dat doet dan krijgt hij koeken tegen zijn kop, zoveel als ik er kan mikken voordat hij het op een rennen zet.” Ze nam een van de stenen, en hield het puntige stuk rots op alsof ze een diamant inspecteerde. “Deze.” zei ze zacht. “Deze is de beste. Als ik hem hiermee op zijn stomme kop raak, rent hij huilend naar zijn mammie toe.”

Ruf wilde de steen nemen om hem te bekijken. Cas trok hem weg,

Haar frons werd zo diep dat Ruf even dacht dat ze de steen zou werpen.

“Ik heb er uren naar gezocht!” siste ze.

“Ik wilde hem alleen maar bekijken.”

“Kijken dan met je ogen, niet met je handen!”

Ruf blies gefrustreerd uit en wilde weggaan, maar Cas nam hem stevig vast bij zijn onderarm. Haar frons was verdwenen en ze zag er weer als suikerklontjes uit. “Als je wilt helpen haal dan meer stenen.” zei ze. “Kijk, daar brokkelt de muur af. Haal er daar maar wat. Zoek naar de scherpe. Neem er zoveel als je kan. Je hebt nooit teveel stenen om tegen iemands kop te gooien.”

Het was te laat.

Er klonk een jongensstem beneden in de straat. Ruf herkende de stem. Cas ook. Ze leunde meteen naar voren op de tippen van haar tenen. Spanning opbouwend in haar dunne benen. Klaar om recht te springen. Haar ogen wijd opengesperd en alert, als een roofdier dat klaarzit om toe te slaan.

* * *