HÉ BJORN, WAT SCHRIJF JE NU WEER? – EPISODE 23

NIEUWS UIT HET (SCHRIJVERS)LEVEN VAN PEETERS BJÖRN

ER KOMEN NOG DAGEN

De afgelopen week was behoorlijk druk, enerzijds door zaken in mijn privéleven die mijn aandacht vroegen, anderzijds omdat ik er niet in sloeg verhalen los te laten. Soms lukt het me zonder moeite om een verhaal aan de kant te leggen tot de volgende dag, als ik op de klok kijk en zie dat het laat begint te worden. Dat is hoe het hoort. Een mens kan immers niet heel de dag lang schrijven. Niet zonder daar de nadelen van te ondervinden, zoals één (of meer!) broekmaten opschuiven.

Soms lukt het me om een verhaal tijdig aan de kant te leggen.

Deze week lukte het me niet.

Op donderdag moest ik om vijf uur ergens naartoe. Om kwart voor vijf zat ik nog furieus de paar laatste zinnen van die dag te tokkelen. De stoom kwam er langs mijn oren uit! Gevolg? Ik moest mijn vrouw zeggen om al zonder mij te vertrekken, ik zou nadien wel komen. Om tien voor vijf mijn werk opslaan en de computer uitschakelen. Snel snel mezelf klaarmaken. Snel snel met de fiets naar waar ik eigenlijk al hoorde te zijn, als ik goed op tijd was vertrokken. Resultaat? Minder dan tien minuten te laat, wat op zich niet echt een probleem was. Maar het was te laat, wat nooit beleefd is.

Het echte probleem?

Een véél te hoog stressniveau.

Geheel mijn eigen fout, ik had mijn verhaal op tijd aan de kant moeten leggen, zodat ik zonder me te haasten mezelf kon klaarmaken en vertrekken. Helaas heb ik deze fout meer dan eens gemaakt de afgelopen week, waardoor ik mezelf gisteren niet al te best voelde ‘s avonds. Dom van mij. Maar ik ben niet van zinnens om vandaag dezelfde fout te maken. Integendeel, het zou goed zijn om wat meer rust te nemen vandaag. Daarom een korte blogpost deze zaterdag. Maar voor ik mezelf aan de schets van deze week wijd, heb ik nog twee dingen voor jullie. Eerst iets uit de wereld van Ictiluni.

Iluna erenel, irani attenel

Jouw licht straalt, de wereld wacht

-Echelin geboortespreuk-

Deze oude Echelin spreuk had ik eerder deze week nodig.

Ik wilde ze ook even hier met jullie delen.

Dan ook nog dit:

* * *

Het was een wandeling van een half uur, terug naar de boerderij. Dat gaf hun kleren ruim voldoende tijd om te drogen. De zomerzon scheen heet op hun hoofden terwijl ze tussen de velden stapten. Jess, de zevenjarige kleine mus die Abbey’s zus was, had haar hoedje op, zoals het hoorde. En dat was maar goed ook, want het meisje had een zwak gestel. Ze had zeker een zonneslag aan de wandeling overgehouden, als ze haar hoedje niet de hele tijd op haar hoofd had gehouden.

Abbey was haar hoed aan de rivier vergeten.

Of thuis; ze was niet heel zeker waar ze hem was vergeten.

Het maakte geen verschil uit op dit moment. Haar hoofd voelde als een hardgekookt ei aan. Ze hoefde zichzelf niet in de spiegel te zien om te weten dat ze knalrood zag. Of dat haar sproeten nu vast van meer dan tien meter afstand te zien waren, en haar er deden uitzien alsof ze de een of andere vlekjesziekte had.

Geen probleem.

Abbey interesseerde zich niet zoveel in wat anderen dachten.

Als ze het tegen haar zeiden, dan zag ze zich soms genoodzaakt om het een of ander duidelijk te maken. Zoals met die jongen met zijn veel te korte broek (had hij geen andere broek?) en dikke neus. Het kon Abbey niet echt schelen dat hij haar dun vond. Wel, het kon haar niet echt héél veel schelen, in elk geval. Maar hij had het net iets te vaak gezegd, dus ze was genoodzaakt geweest om hem tot de orde te roepen.

“Je had die jongen bijna verdronken.” zei Jess, nog maar eens.

“Ik heb hem alleen even onder water gehouden.”

“Maar het was niet even, het was lang.”

Abbey haalde haar schouders op.

Ze had tot tien geteld terwijl ze hem onder water hield. Ze had nog nooit gehoord van een jongen van twaalf die niet minstens tien tellen zijn adem kon inhouden. Tien tellen was niets; het was amper voldoende om hem echt bang te maken. Abbey deed de moeite niet om haar zus dat uit te leggen. Ze wist dat Jess niets tegen hun ouders zou zeggen. Tenzij ze voor de keuze stond om de waarheid te zeggen, of een stevig pak slaag te krijgen. Abbey had haar lang geleden al gezegd, dat als ze moest kiezen tussen geslagen worden of klikken, ze maar moest klikken.

Beter dat zij de meppen kreeg dan Jess.

“Is het nog ver?” vroeg Jess.

“Nee.” zei Abbey, en ze wees.

Een kwartier al liepen ze tussen glooiende velden, waar koeien en paarden stonden, en velden waar graan goudgeel in de zon stond. Zacht heen en weer wiegend in de wind die sinds de middag was opgestoken. Nu kwamen ze op de top van een heuvel, en een kleine vijf minuten wandelen voor hen konden ze de boerderij zien.

Abbey bukte zich en trok een grashalm uit.

Er kropen grote mieren tegenaan.

Abbey schudde met het gras, en wreef er de mieren af die niet op de grond vielen door het schudden. Dan stak ze de onderkant van de verse grashalm in haar mond, en zuchtte tevreden. Jess had moeite om aan het platteland te wennen. Ze hield niet van de insecten, die hier in veel, véél grotere getale aanwezig waren dan in de stad. En ze leek overweldigd door al het nieuwe om zich heen. De koeien. De paarden. De ontelbare vogels en al de verschillende liederen die ze zongen.

Abbey niet; voor haar was dit prima.

In de stad wonen was zoals in een kooi zitten.

Dat had ze niet geweten; oh nee. Abbey had genoten van het leven in de stad, met volle teugen! Maar hier! Dit was anders. Hier kon je ronddwalen in een wereld die grenzeloos leek te zijn. En er waren amper volwassenen om je in de gaten te houden. Er was die ene man, met zijn dure auto en dure pak, daar op de brug. Maar dat was niets. Hij had haar niet eens kunnen tegenhouden om van die brug te springen, en in plaats van langs de helling achter haar aan te komen, was hij vertrokken.

“Eindje rennen?” vroeg Abbey.

* * *

De eerste tien lezers die me kunnen vertellen uit welke van mijn reeksen én welk boek dit fragment komt (de antwoorden zijn niet zo moeilijk te achterhalen, zeker niet dat op de eerste vraag), krijgen een gratis e-book naar keuze van mij. Mail naar bjorn@peetersbjorn.be. Geldig tot en met vrijdag 07-02-2020.

Een van de boeken waaruit je kan kiezen, is de net verschenen Infinitus Memorias bundel.

Cover en flaptekst hieronder.

Daal af in de beangstigende wereld van Infinitus Memorias, waar gruwelijke zonden uit het verleden uit de schaduw terugkeren om zich te wreken op de levenden. Deze bundel bevat maar liefst vijf korte cases, de ene nog veel verontrustender dan de andere. Van de duistere voorgeschiedenis van een studentenhuis, tot het hartverscheurende lot van een arm meisje. Ontdek in deze kortverhalenbundel dat de zonden der mensheid vele vormen aannemen. En dat als ze terugkeren om zich te wreken, er amper een plaats overblijft waar de gruwel je niet kan vinden.

In deze bundel:

Case QX29-589-01 (De Zonden Van De Moeder)

Case TK16-589-01 (De Zonden Van De Foorkramers)

Case MR78-589-01 (De Zonden Van De Professor)

Case SK56-589-01 (De Zonden Van De Priesters)

Case KG11-589-01 (De Zonden Van De Armen)

BONUS: Case TQ15-832-01 (De Zonden Van De Slachters, episode 1)

DARK FANTASY / HORROR

16+

Daarmee zijn we weer aan het einde van deze blogpost gekomen.

Het middagmaal staat al op tafel, dus ik moet afronden. Na het eten nog de schets voor deze week (of als het te laat wordt, dan toch al het begin ervan) en dan zit het schrijven er weer op voor deze week. Tot volgende week allemaal, en een heel fijn weekend gewenst!

Björn

ONBESTEMD

VERHAALSCHETS

Dit is een verhaalschets, vergelijkbaar met een schets die een tekenaar in zijn schetsboek maakt. Lees het gerust, maar weet dat het niet om een afgewerkt verhaal gaat. Misschien werk ik het ooit verder uit, misschien ook niet. In elk geval wens ik je er veel leesplezier mee.

HISTORISCH / FANTASY

Het was uren geleden sinds ze thuis was vertrokken. Ze had niet de hele tijd gestapt. Soms had ze zich op de warme bosgrond neergeploft, op de bladeren en de dorre takken. Daar was ze dan een tijdlang blijven zitten. Zonder veel te doen. Zonder veel te denken. Of zo leek het toch voor haar. Alsof ze aan niet veel dingen had gedacht. Niets dat er toe deed, in elk geval.

Dat zou niemand verbazen.

Ze had een tijdlang langs de rivier gekuierd. Dan was ze het beu geworden om het water te horen ruisen en kolken, en om de vochtige mist tegen haar blote benen en armen te voelen. Ze was weer het bos in gegaan. Gewoon een paadje op gegaan dat langs een eenzame treurwilg liep. Zonder te weten waar het naartoe leidde. Zonder er iets om te geven waar het naartoe leidde. Het leidde niet naar vorig jaar toe, dat in elk geval niet, dus wat maakte het dan uit?

Omdat ze dringend moest, had ze een plas gedaan achter een verdorde struik.

Niet dat ze zich erachter had willen verbergen. Als ze zich had willen verbergen dan was die struik misschien wel de meest idiote keuze in het hele verdomde bos. Voor wie had ze zich trouwens moeten verbergen? Geen van haar klasgenoten zou haar zo diep het bos in volgen. Daar waren ze te lui voor. De meesten van hen toch. Hun auto, daar draaide het allemaal om. Hun auto met zijn glimmende velgen en brullende motor. Hun auto, en alle plaatsen waar die hen naartoe kon brengen. Dat was de droom, dat was waar het leven om draaide in dit godvergeten dorp. Zowel voor diegenen die al konden rijden, als de arme stakkerds die nog niet voor het examen waren geslaagd.

Heel dat eind te voet gaan?

Om háár te volgen?

Geen kans.

Iemand wildvreemd tegen het lijf lopen? Indien er nog anderen in het bos waren, dan zou ze hen in elk geval van ver horen komen. Het bos was betrekkelijk stil, nu het zo heet was buiten. Er stond al dagen geen wind. De hoge stammen van de bomen stonden kaarsrecht. Hun takken leken helemaal niet te bewegen, zelfs niet een klein beetje. Er waren muggen die zoemden. Zo hier en daar kraakte een takje, of er viel iets naar beneden en het plofte op de zachte bosgrond. Of viel tussen de struiken, die er al even stil bij stonden als de hoog boven hen uit torenende bomen. In deze bosrijke stilte had haar plas zo luid geklonken dat het haast schandelijk was geweest.

Nadat ze haar rok weer had laten zakken had ze even staan luisteren.

Niet op dezelfde plaats.

Iets verderop.

Stilte.

Haast volstrekte stilte, die onzichtbaar tussen de bomen hing. Hier en daar fonkelend in een straal zonlicht die een weg tussen het loof van de bomen had gevonden, en probeerde de bodem van het bos te bereiken. Ze had de stilte willen breken, maar geaarzeld hoe ze dat dan best deed. Gek, dat het voelde alsof ze de stilte niet zomaar eender hoe mocht doorbreken.

Ze had gefloten, een lange en hoge toon.

Dan had ze een paar keer haar eigen naam gesproken.

“Kayla… Kayla…. Kaaaaaayyyyla!” Het had luid geklonken, daar tussen de bomen.

Gek hoe weinig ze haar eigen naam hoorde. De klank was nochtans mooi, al vond ze het zelf. Best wel mooi, ja. Het was een naam die mensen best mochten horen. Ze zou het niet vervelend vinden als ze hem wat vaker hoorde, helemaal niet. Maar… enkel een idioot zou midden in de school haar eigen naam staan uitspreken. In een bos, tot daar aan toe. Elders, niet echt.

“Kayla… Kayla…. Kay-“

In beslag genomen door haar naam, had ze niet echt gekeken hoe ze stapte. Ze was over een beek van stilstaand bruinig water gesprongen, dat herinnerde ze zich nog. Ook was ze tussen twee struiken gekropen die hun kronkelige takken als twee geliefden met elkaar hadden verstrengeld. Dat wist ze. Wat ze niet wist, was hoe ze daarna was gestapt en hoe ze in hemelsnaam hier terecht was gekomen.

Had ze de rand van het bos bereikt?

Niet aan de bomen te zien die haar aan alle kanten omringden.

Maar wat dan… wat was dit? Kayla keek naar de zware houten balk waar ze bijna haar teen tegen had gestoten. Knus ingezakt in de bladerige bosgrond. Ze keek opzij, naar de andere houtblokken die op regelmatige afstand van elkaar liggend tussen de bomen verdwenen. Ze keek naar de metalen rails die erop lagen. De rails verdwenen in de verte tussen de kaarsrechte bomen. Het zonlicht dat hier en daar tussen de hoge bladerrijke kruinen viel, ving met heldere reflecties op de metalen rails haar blik. Het weerkaatste zo helder op de rails dat het bijna pijn deed aan haar ogen, als ze er recht naar keek.

In de verte klonk een specht die hard aan het werk was.

Het enige geluid, op haar eigen ademhaling na.

Kayla keek over haar andere schouder en schrok. Het spoor liep ook verder in die richting, maar dat was niet wat haar deed schrikken. Ze kon niet zien waar het naartoe leidde. Omdat haar zicht geblokkeerd werd door een enorme wagon. Helemaal wit met een rode streep overheen zijn uitgestrekte metalen lijf. Eén rode lijn, dwars door het midden, vanaf z’n kont tot z’n hoofd. Dikke, vooruitstekende metalen bumpers. Of hoe noemde je die dingen. Het zag er een oud geval uit. Onnatuurlijk stil. Ze verwachtte dat hij elk moment vanzelf in beweging zou komen, en overheen het spoor weg razen. En dan, dan zou er een paars konijn van tussen de struiken komen. Om haar te zeggen dat ze gek was geworden, maar dat ze dit tegen niemand hoefde te vertellen.

Omdat iedereen het al lang wist.

Kayla wreef in haar ogen.

Dan stond ze een moment naar de onbekende witte wagon (met rode streep) te kijken, die daar met al zijn ramen nog intact en zonder zichtbare schade stil stond te staan. Het zag er niet uit alsof iemand de arme stakker had gedumpt. Ze had al eerder verlaten treinen gezien (hoewel nooit in een bos) en ze zagen er anders uit. Geïnfecteerd door roest, en besmeurd met de graffiti wijsheden van het soort jongens dat er alleen aan zou denken om tegen haar te spreken als ze eens vergat een bh te dragen.

Life is a bitch, and I’m a dick! – dat soort van diepzinnigheden.

Deze rood gestreepte eenzaat was daarvan gespaard gebleven. Vreemd. Hij glansde zelfs mooier dan die nieuwe droom op wielen van Danny, die heel de ochtend voor de ingang van de school aandacht had staan trekken. Ze liet haar vingertoppen over de zijkant van de wagon strijken. Het metaal voelde koel aan. Er drong te weinig zonlicht door het bladerdek, om zijn smetteloze harnas te warmen. Ramen waren intact. Geen gebroken glas, hoewel er één raampje open stond. De wielen, van zwart metaal, stonden roerloos maar stevig op de rails. Niets dat zei dat deze wagon hier was vastgelopen en achtergelaten.

Kayla zakte op haar knieën op het spoor, en keek onbeleefd onder zijn ophanging.

De wagon gaf geen krimp terwijl Kayla zijn onderkant inspecteerde. Ze wist niet wat ze zag. Metaal dit en metaal dat. Veringen, staven, buizen, dingen waarvoor ze geen naam had. Voor zover ze kon zien was het allemaal niet beschadigd. Geen stukken die eruit puilden en over het spoor sleepten. Geen grote gaten waar overduidelijk iets ontbrak. Het zag er nog een prima wagon uit. Waarom iemand hem midden in het bos zou achterlaten, was niet op het eerste zicht duidelijk.

Kayla stapte er verder omheen.

Er was een vouwdeur aan de zijkant en die stond open.

“Neem me niet kwalijk dat ik geen kaartje koop.” zei Kayla, en ze hees zich op het trapje.

Het was heet in de wagon, maar lang niet zo ‘bossig’ als ze had verwacht. Van een wagon die al even in het bos staat – met de deur open dan nog wel – verwacht je meer bossigheid binnen. Bladeren die naar binnen zijn gewaaid. Kleine takjes die door ondernemende vogels tot nesten zijn gemaakt boven in de bagagerekken. Gaten in de bekleding van de deftige zitbanken gepikt, zodat diezelfde vogels het zachte vulsel voor wat beters dan een ongebruikte zitbank konden gebruiken. Dat soort dingen. Of tenminste de bossige lucht waar je gewoon niet aan kon ontsnappen, omdat je je, wel, midden in een bos bevond.

Niets van dat alles.

De zitbanken waren in onberispelijke staat. Het rode pluche was niet aangetast door vogels of andere op zacht vulsel beruste nestdieren. Zelfs geen brandplekken van uitgedrukte sigaretten, niets. Dit kon met andere woorden geen moderne wagon zijn. In elk geval geen die haar dorp aandeed, waar het vol liep met jongens die hun nog brandende peuken wegkeilden in alles van vuilnisbak tot geparkeerde auto, of bij wijze van alternatief, uitdrukten tegen eender wat voorhanden was. Vuilnisbak, lantaarnpaal, nieuwe rugzak van zeventienjarig meisje waar je toch nooit hallo tegen zegt.

Kayla bewoog haar vingers over een van de zitbanken.

Pluchig, heel pluchig, en warm omdat net daar een straaltje zon viel.

Het rook nog naar nieuw in de wagon. De vloer glom alsof hij net was geboend, en had de kleur van de vette room die haar tante altijd ter hand nam, eender wat ze kookte. Zelfs de ramen waren schoon. Er viel amper iets van stof of eender wat op te ontdekken. Wie liet in hemelsnaam een wagon met zulke goede papieren zomaar achter in het bos? Dat was alsof Jenny van de bakker haar borsten wegstopte onder een trui, of wie weet, een jas. Absurd idee, zoals de fameuze Jenny zelf zou zeggen. Die meid zou geen jas dragen ls de vogels dood uit de bomen vielen omdat het zo hard vroor, en deze wagon hoorde niet thuis in het bos. Dat waren feiten waar je op kon spugen en met je hiel tegen trappen.

“Waar naartoe?”

Kayla kon het niet zien (omdat ze niet in de spiegel keek) maar ze voelde dat ze haar ogen zo ver open sperde dat ze riskeerde om een oog kwijt te raken tussen de zitbanken. Ze voelde ook dat ze haar mond vertrok in wat vast geen aantrekkelijke grimas was. Verder was zeker dat als ze niet daarnet al een plasje had gedaan, ze het daar en dan op de glimmende vloer van de wagon zou hebben gedaan. Met haar ogen gevaarlijk ver opengesperd en een grimas op haar gezicht draaide ze zich om. Naar de man die op de voorlaatste bank van de wagon zijn krant zat te lezen.

Hij zat daar nu, maar een moment eerder nog niet.

De krant ritselde terwijl hij ze omsloeg naar de volgende bladzijde.

Hij was gekleed in deftige zwarte kleren van een eeuw geleden, met een zwart gerande hoed die ten dele over zijn gezicht kwam omdat hij zijn hoofd voorover gebogen hield. Gladgeschoren, met een kin die gebouwd is om klappen te kunnen opvangen. Daaronder een nek die iets te dik was voor de kraag van het witte hemd, en de kleine knoop van de nette maar verder onopvallende das. De rest van hem ging voor het overgrote deel verborgen achter de krant, en achter de pluchen bank van de rij voor hem. Kayla keek toe terwijl de onbekende man nogmaals een bladzijde van de krant omsloeg.

Een foto op de krant trok haar aandacht.

Een boerenkar die was omgekanteld en in een of andere beek beland.

De man zat te ver bij haar vandaan om de tekst te kunnen lezen. Misschien als ze haar bril verder op haar neus had geduwd en haar ogen had ingespannen, maar dat deed ze niet. Al waar ze zich op dat moment voor inspande, was proberen niet te gillen en als een gek wegrennen. Gelegenheden genoeg om andere mensen te doen denken dat ze een idioot was. Ze hoefde niet elke gelegenheid aan te grijpen zodra die zich voordeed. De man liet zijn krant wat zakken en keek haar aan vanonder de brede, donkere rand van zijn hoed. Hij had het soort ogen waar een meisje wel voor kon vallen. Om dan op een dag nooit meer teruggezien te worden. Ze keken haar strak aan.

Kayla probeerde te glimlachen.

“Excuseer… ik wist niet dat deze wagon bezet was.”

Laat hem maar denken dat hij te maken heeft met een idioot, dacht ze. De ogen volgden haar terwijl ze achterwaarts richting de schuifdeur schuifelde. Kayla deed nog een poging om te glimlachen, vlak voor ze zich omdraaide. De tweede poging was even vruchteloos als de eerste. Haar gezicht voelde nog steeds alsof het plots krampen had gekregen. Haar oogleden wilden maar niet sluiten. Ze verloor de man met de krant geen moment uit het oog, zelfs niet de fractie van een tel die het haar koste om te knipperen. Het lukte haar om haar hand op te steken en even naar hem te wuiven.

De ogen staarden haar aan.

“Tot ziens dan maar!”

Kayla keek een moment omlaag naar waar ze haar rechtervoet neerzette. Alleen maar omdat ze niet wilde misstappen en uit de wagon tuimelen. Als ze viel zou ze achterover in de bladeren belanden. En in tegenstelling tot bij haar kat Minoes, was met de buik omhoog niet haar meest verdedigbare houding. Ze viel echter niet, omdat het niet kon. In plaats van door de openstaande schuifdeur te stappen, botste ze tegen de wand van wagon. Aan de onderkant houtwerk, dat een luide tok gaf toen ze er met de achterkant van haar schoen tegen stootte. Haar rug drukte tegen het koele glas van het raam erboven.

“Huh?”

Kayla keek verbaasd om en tastte met haar handen.

Had ze zich dan zo vergist? Ze keek verder naar voren in de wagon, want ze was langs de voorkant aan boord gekomen. Er was nergens een schuifdeur te zien. Ook niet achterin de wagon, waar de man recht stond en zijn krant compact opvouwde. Zijn ogen fixeerden haar nog steeds, en ze hadden niets aan warmte gewonnen. Het gezicht waartoe ze behoorden zag eruit alsof het was gemaakt om iemand bang te maken. Er was niet lelijks aan te bemerken, integendeel. Het was aantrekkelijk en had maturiteit, zonder reeds echt tekenen van ouderdom te vertonen. Kayla kon zich echter niet van de indruk ontdoen dat ze naar een façade keek. Enkel de ogen gaven iets prijs van wat zich daarachter bevond.

“Waar naartoe, juffrouw?”

“Ik was net op weg naar huis, ze wachten op mij.”

“Is dat zo?” De man stak de krant onder zijn arm en stapte naar haar toe.

Kayla deinsde achteruit tussen de pluchen zitbanken, om zich heen kijkend naar de uitgang. “Ja, ik was net op weg naar huis toen ik deze wagon zag.” Haar stem klonk een toontje hoger dan anders, en op weg naar nog een toon hoger. “Als ik had geweten dat deze wagon bezet was. Ik had u natuurlijk niet bij het lezen van uw krant gestoord als ik het had geweten. Ik was ook al lang weer vertrokken, maar de deur ziet u… de deur is een heel klein beetje verdwenen. Misschien dat u ze hier ergens ziet?”

De man naderde haar met grote passen.

Hij fixeerde haar de hele tijd met zijn ogen.

Toen hij haar te dicht was genaderd om haar kalmte te kunnen bewaren, draaide Kayla zich om met zo’n wilde ruk dat ze haar rug ermee had kunnen breken. Ze wilde naar voren rennen. Ze was bereid om door een van de ramen te duiken, als ze maar naar buiten toe kon. Zodra ze zich had omgedraaid, stond de man echter weer voor haar. Hij legde zijn zware hand op haar schouder en zodra hij dat deed, voelde Kayla dat haar benen, lafaards, de witte vlag hesen. Ze moest gaan zitten of ze viel, en dus zette ze zich op een van de deftige zitbanken, en de man zette zich naast haar op het rode pluche.

Hij legde zijn arm rond haar schouder en zocht haar blik.

De man walmde met een geur die haar deed denken aan haar grootvader, de laatste keer dat die zich nog eens had opgesmukt, voor de begrafenis van haar zus. Ze kon de adem van de man in haar nek voelen en de twee of drie haartjes die dan nog niet recht stonden, schoten er meteen door omhoog. Zijn adem was koud. Net zoals de toon waarop hij nu tegen haar sprak, met zijn mond vlakbij haar oor. De zwarte rand van zijn hoed raakte haar hoofd. De hand die rond haar schouder was gegaan, sloot zich met een verbazende kracht om haar ontblote arm, en de aanraking was koud.

“Waar naartoe, juffrouw?”

“O-o-overal waar u niet naartoe gaat, is prima.”

“Oh nee.” zei de man. Hij grijnsde. Ze zag het niet, want ze staarde strak vooruit. Maar ze hoorde het in zijn stem. “Ik ben al ergens naartoe gegaan, zie je.” Er klonk iets van plezier in zijn stem, en Kayla merkte dat haar lichaam stilaan zo stijf werd als de strijkplank van haar moeder. De hand koude hand om haar arm trok haar dichterbij, en er ontsnapte een klein kreetje aan haar trillende lippen. “Nu is het jouw beurt om ergens naartoe te gaan, en te gaan, en te gaan, en te gaan. Totdat je bent vergeten waar het nu waar was dat je vandaan kwam en… en je niet meer zeker bent waar je nog naartoe kunt gaan.”

De hand om haar arm liet los.

Kayla draaide langzaam haar hoofd en keek naar het rode pluche.

Niets. Beter gezegd, niemand. Er zat niemand naast haar op de deftige zitbank. Ze keek om, en zag dat de man nergens in de wagon. Enkel de krant die hij onder zijn arm had gehouden was er nog. Naast haar op de bank, netjes opgevouwen. Ze las de datum die bovenaan de krant stond.

Zeventien januari, 1923.

Metaal, ze hoorde het geluid van krassend metaal. Er kwam beweging in de wagon, en tegen dat ze van de zitbank was opgestaan bewoog de wagon zich naar voren. Steeds sneller. Over de metalen rails die tussen de bomen verdwenen. Er klonk een bel, en dan een fluittoon als van een oude locomotief. Kayla keek door de ramen maar al dat ze kon zien was het bos. Geen locomotief, niets behalve bomen. En dan tussen enkele berken, de in het zwart geklede man. Hij staarde haar aan terwijl de wagon passeerde. Zijn gezicht was uitdrukkingloos. Dan was hij plots verdwenen, en de wagon raasde verder over de sporen.

* * *