HÉ BJORN, WAT SCHRIJF JE NU WEER? – EPISODE 22

NIEUWS UIT HET (SCHRIJVERS)LEVEN VAN PEETERS BJÖRN

NIEUWS VOOR DE ICTILUNI FANS

Soms eist een verhaal veel meer tijd op dan verwacht. Niet dat het dan zoveel langer duurt om het te schrijven (dat ook, maar dat bedoel ik niet). Het heeft meer tijd nodig om verteld te worden. Dat had ik onlangs met een Ictiluni kortverhaal. Ik had een van de centrale scènes in mijn hoofd, en wist dat ik daar een verhaal mee zou schrijven. Omdat ik al wel een aantal verhalen heb geschreven, kan ik op voorhand redelijk goed schatten hoe lang een verhaal zal worden.

Meestal.

Ik vermoedde dat dit Ictiluni verhaal een vijfduizend woorden zou worden. Maar hoe dichter ik bij die vijfduizend woorden kwam, hoe meer ik besefte dat het verhaal meer ruimte nodig had. Toen dacht ik, oké dan wordt het zeven à achtduizend woorden. Uiteindelijk klokte het verhaal af op iets meer dan twaalfduizend woorden. Waarmee het stilaan tegen de limieten aanstoot van wat ik nog met een serieus gezicht een kortverhaal kan noemen. Twaalfduizend woorden is best wel wat. Een verhaal uit de Duelmeester reeks (ook Ictiluni) is zo om en bij de zesduizend woorden lang, ter vergelijking.

Het ene verhaal is mooier en intenser met weinig woorden.

Het andere heeft net meer woorden nodig.

Soms weet ik dat op voorhand, en soms verrast het verhaal me. Zoals dit keer.

Door een grappig toeval is de titel van het verhaal: ‘Een Lang Leven’. Het is werkelijk toeval, de titel verwijst op geen enkele wijze naar de lengte van het verhaal. Waar het wel naar verwijst kan ik niet vertellen zonder te veel over het verhaal zelf prijs te geven. Wat ik wel kan vertellen, is dat het zich een tijd na de gebeurtenissen in de Twee Prinsessen Saga afspeelt, en dat Ictiluni fans van het eerste uur blij zullen zijn om enkele oude bekenden terug te zien!

Er is meer Ictiluni nieuws.

Behalve ‘Een Lang Leven’ komt er nog een nieuw Ictiluni kortverhaal aan. Ook dit speelt zich na de gebeurtenissen in de Twee Prinsessen Saga af. De titel van dit verhaal is ‘Irover’. Een uitdrukking in de Oude Taal van de Echelin, die door iemand in het verhaal wordt vertaald. De betekenis ervan reikt veel verder dan enkel uit dit verhaal af te leiden valt. Dat komt omdat zowel dit verhaal als ‘Een Lang Leven’ hints bevatten naar wat er nog zit aan te komen in de Ictiluni reeks.

Komt er dan nog meer aan in de Ictiluni reeks?

Ooooh ja! Meer dan je je kan voorstellen!

Als ik er even van uitga dat ik de komende jaren niet door een bus wordt overreden of stik in een keelpastille… als ik nog wat tijd krijg om te schrijven. Oh ja, dan staat de wereld van Ictiluni nog heel wat uitbreidingen te wachten. Nee, ik ben niet vergeten dat Amalia’s droom op een vervolg wacht. Die saga (de saga van Zon En Maan) heeft nog meerdere boeken tegoed, en ze komen. Wanneer precies kan ik nu nog niet zeggen, maar wees gerust. Ik ben Amalia en haar vrienden niet vergeten. Het plan is trouwens ook om complete saga’s te bundelen. Dus er zal een complete editie komen van de saga van De Twee Prinsessen, en nadien ook een bundel van de Zon En Maan saga.

Nog geen datum daarvoor.

De twee kortverhalen waar ik het over had, die verschijnen later dit jaar al.

Net vandaag is er een nieuw Op Kot kortverhaal verschenen, en volgende week is het de beurt aan een nieuwe episode van MAMA BETSY’S RADIOSHOW. Een humorreeks waar ik veel plezier aan heb beleefd tijdens het schrijven, maar ook nadien tijdens het herlezen. De episodes en later ook de bundels hebben achteraan een verklarende woordenlijst voor het dialect, met hier en daar erg kleurrijke woorden en uitdrukkingen. Nederlanders die graag wat onbeleefde Vlaamse woorden leren en die ook graag eens in actie zien, hier is jullie kans!

Cover en flaptekst hieronder.

Hallo allemaal, en welkom bij de beste radioshow van het land! Zet je schrap op je stoel, want Mama Betsy neemt geen blad voor de mond. Wat je ervan denkt zal haar worst wezen, haar meningen knallen in het rond als gloeiend heet lood uit een ouderwets machinepistool. Steeds met haar enorme hart op de juiste plaats, en steeds bereid om te helpen. Maar dodelijk als een aanstormende trein voor idioten met een attitude. Advies over geld, inkopen, werk en nog veel meer! Zet maar lekker luid die radio en hou je vast aan alles behalve correct taalgebruik, want Mama Betsy gaat LIVE!

EPISODE 2

Inclusief verklarende woordenlijst voor Mama Betsy’s dialect.

FICTIE – HUMOR

De MAMA BETSY reeks is 16+

Hiermee hebben we weer het einde van deze blogpost bereikt.

Passend bij de blogpost van deze week, is ook de schets die ik met jullie wil delen héél wat langer uitgevallen dan verwacht. In feite is het een compleet kortverhaal geworden, en het zal later ook als een op zichzelf staand kortverhaal te koop zijn. Geen deel van een bestaande reeks. Geschikt voor alle behalve de jongste lezers, maar dan vooral omwille van de moeilijkheid / zwaarte van het thema. Als je wilt weten wat ik bedoel met ‘schetsen’ blader dan even terug naar eerdere posts.

Ik wens jullie allemaal een heel fijn weekend!

Björn

PAS NA VELE JAREN

(KORTVERHAAL)

SLICE OF LIFE / DRAMA

De zon scheen. Het was beter geweest als ze dat niet had gedaan. Daniël was niet zeker of het een verschil had gemaakt, maar misschien. Misschien had het een verschil gemaakt. Een dag. Een week. Wie weet. De oorlog kon al afgelopen zijn binnen een week.

Misschien.

Het kostte hem moeite om de veters van zijn schoenen te knopen.

Het hoorde hem geen moeite meer te kosten. Zijn vader vond het vast niet goed. Hij probeerde het nog een keer maar de knoop kwam weer los. Stomme schoenen. Straks moest zijn vader wachten. Dat was de hor van de keukendeur die dichtviel. De magneetjes aan de rand van de deur klakten. Daniël keek over zijn schouder maar de zon scheen in zijn ogen. Er kriebelde een beestje over zijn nog blote voet. Hij sloeg het eraf zonder er zijn blik op te richten. Waar was zijn vader? Oh, daar. Met de vislijnen. Hij had de mand ook al bij zich. Snel, hij moest hem helpen.

Daniël trapte de schoen uit die hij had proberen vastknopen.

Hij rende zijn vader over het gras tegemoet, met een hand boven zijn ogen.

“Klaar?”

“Ja.”

Ze waren hetzelfde gekleed, zijn vader en hij. Hoewel, de jeans van zijn vader was lichter blauw. Al vaker gewassen, of misschien was hij al lichter blauw toen hij hem kocht. Wit hemd. Hun haren waren zo goed als hetzelfde. Die van zijn vader iets korter dan de zijne. Iets, maar echt niet veel. Het verschil tussen hen was de schoenen. Zijn vader droeg de zwarte, het paar dat te versleten was om naar de kerk te gaan of iets anders officieel. Prima om mee te wandelen of te zitten vissen, zei zijn vader altijd. Daniël nam een van de vislijnen over. Ze woog niet zwaar, hij kon ze makkelijk dragen.

“Je schoenen.”

“Ik ga liever op blote voeten.”

“Wel.” zijn vader keek naar beneden, naar zijn schoenen. “Waarom ook niet.”

Zonder de viskoffer of de andere lijn neer te zetten trapte hij zijn schoenen uit, en liet ze daar. Daniël nam ze, ze voelden warm aan, en zette ze verderop in het gras. Naast de zijne. Dan stapte hij naast zijn vader de heuvel af. De rivier was niet ver. Het water glinsterde met het licht van de zon. Er was geen wind die ochtend, of toch niet veel. Het water was kalm. Er waren veel muggen.

Hun plaatsje op de aanlegsteiger was vrij.

Het was altijd vrij.

Heel soms kwam Lydia daar staan, met een emmertje. Om water te scheppen, en er dan ergens iets mee te gaan doen. Daniël had geen idee wat meisje met water deden. Vast iets stom. Meisjes speelden de hele tijd stomme dingen. Zoals die keer dat ze wilde dat hij op visite kwam. In het huisje dat haar vader voor haar had gebouwd in de tuin. En toen werd ze boos omdat hij een kikker meebracht. Terwijl ze toch had gezegd dat hij iets moest meebrengen, en wat had hij dan anders moeten meebrengen?

Het was een goede kikker.

Groot en dik.

Echt een goede kikker, dat had zijn vader hem ook gezegd. Nu ja, Lydia was niet op de aanlegsteiger en dat was goed. Want ze hield niet van vissen, en ze zou toch blijven kijken. En dan zou ze vast weer de hele tijd vragen of de vissen geen pijn hadden. En dat was niets waar ze het nu over hoorde te hebben. Er waren veel belangrijkere dingen te bespreken, dingen die meisjes niet begrepen. Het was tijd voor mannen om te praten, en daar hoorden meisjes van maar zes jaar oud niet bij.

In het bijzonder niet als ze Lydia heetten.

Dan nog veel liever de muggen.

De houten planken van de aanlegsteiger voelden zowel warm als koud. Warm op de plaatsen waar de zon erop scheen, koel op de plaatsen waar ze in de schaduw van de populier lagen. Het hout kraakte een beetje terwijl ze helemaal tot op het einde stapten. Dat was niet erg. Laat het maar kraken, zei zijn vader altijd. Het kraakte al toen hij nog een broekventje was. Het was nooit gebroken, en zou het nu ook niet doen. Opa Fred had het gebouwd, en die bouwde iets om minstens honderd jaar mee te gaan.

Daniël keek tussen de planken naar het water.

Het water was troebel.

Goed.

Dan zagen de vissen niet dat ze er waren.

Misschien beten ze vandaag dan beter dan ze de afgelopen tijd deden.

De aanlegsteiger liep een beetje schuin, maar niet zoveel dat je in het water zou belanden. Zijn vader zette de viskoffer neer. Die kon dienst doen als zitbankje maar zo gebruikten ze hem nooit. Ze zaten altijd samen helemaal vooraan op de aanlegsteiger. Gewoon op de planken. Zo was het goed. Dit keer zat zijn vader met zijn benen over de rand, omdat het niet uitmaakte dat zijn voeten het water raakten.

Hij had toch zijn schoenen niet aan.

“Goed idee he papa, om zonder schoen te komen.”

“Geweldig, dan kunnen onze voeten afkoelen.”

Hij bevestigde een van de wormen uit hun bakje aan de haak. Hij wriemelde, de worm. Daniël keek hoe zijn vader het deed en probeerde precies hetzelfde te doen. Zijn vader wierp uit. De lijn siste tot de dobber in het water belandde. Daniëls lijn ging niet zo ver, maar dat was niet erg zei zijn vader. Hij zei het niet nu, maar hij had het al vaak gezegd. Hij hoefde het niet nog een keer te zeggen.

Het was stil.

De muggen dansten boven het water.

Het was leuk om daar samen te zitten, zo leuk dat Daniël vergat waarvoor ze waren gekomen.

“Jij zal nu de man in huis zijn.” zei zijn vader. Zijn stem was niet luid, en niet streng. Daniël keek op van zijn vislijn. Keek zijlings naar zijn vader. Knikte, maar zei niets. “Je bent bijna acht nu, wat niet zo oud is, maar ook weer niet heel erg jong. Ik weet dat ik op jou kan rekenen voor een aantal zaken. Zoals de dieren eten geven. De kippen, het varken, de geit. Geef ze niet te veel zodat ze niet dik worden, maar zorg dat ze ook niet te mager worden terwijl ik weg ben. Dat is jouw taak, dan moet je moeder daar toch al niet aan denken. Help je moeder zoveel als je kan, ze zal het nodig hebben. Nonkel Dimitri zal zo nu en dan langskomen om te helpen, wanneer het mogelijk is voor hem.”

Zijn vader wierp de lijn weer uit.

Daniël luisterde hoe ze siste.

“Mama was daarstraks weer aan het huilen, aan de afwas.”

“Ja.” de stem van zijn vader klonk zachter. “Dat zal ze nog vaker doen.”

“Moet ik haar dan proberen te troosten?”

“Dat hoeft niet. Het gaat wel over. Heb ik je al eens verteld over die keer dat ik met opa hier was, en dat hij in slaap viel tijdens het vissen? Opa zei nooit zo veel tijdens het vissen, dus ik dacht dat hij zoals al die andere keren naar de dobber zat te kijken. Ik zat daar waar jij nu zit. Ik zag hem opzij schuiven, alsof hij iets wilde grijpen dat hij had laten vallen. Zodat het niet in het water zou belanden. Maar het was opa zelf die in het water viel. Hij heeft zo hard gevloekt dat hij alle vissen naar de bodem van de vijver joeg en ze die middag niet meer wilden bijten. Niet één meer, niets!”

Daniël keek om toen zijn vader begon te lachen.

Hij legde een hand boven zijn hoofd om hem beter te zien. Dan glimlachte hij. Dan lachte hij bijna net zo luid als zijn vader. Opa in het water! Alle vissen bang! Daniël wilde dat hij het had gezien. Dat hij opa in het water had zien spartelen. Dat zou pas lachen zijn geweest. Alle vissen zo bang dat ze allemaal op een hoopje helemaal beneden in het meer zaten. Die opa toch!

Het werd weer stil.

Een merel vloog vanaf de overkant van het meer tot in de populier achter hen.

“Hoe lang is het geleden dat je op de zoldering bent geweest?”

Daniël dacht na. Nam de vislijn in zijn ene hand om op de andere te tellen. Uiteindelijk moest hij toch ook de vingers van zijn andere hand gebruiken. Niet allemaal, enkel drie. Acht, was het. Acht dagen sinds hij op de zoldering was geweest. Dat was die keer dat hij een paar oude schoenen nodig had. Om mee te nemen naar school. Voor de inzameling. Dat was de laatste keer dat hij op de zoldering was geweest. Hij toonde zijn vingers aan zijn vader, die knikte.

“Er staat een koffer, een oude koffer met een slot.”

“Ja, helemaal aan de kant van het raam.”

“Dat is hem. Er zit geld in.”

“Veel?”

“Genoeg.”

“Wat moet ik ermee doen?”

“Je moet weten dat het er is, dat is alles.”

“Als het huis brandt moet ik het dan snel halen?”

“Als het huis brandt moet je snel naar buiten rennen, heel snel.”

“Met het geld?”

“Het geld doet er dan niet toe.”

“Waarom moet ik het dan weten papa?”

“Je moet het gewoon weten, je bent dan de man in huis.”

“Weet mama dat daar geld ligt? Of is het een geheim voor alleen mannen.”

“Ze weet het, het is geen geheim voor haar. Wel voor iedereen anders, vertel het aan niemand.”

Daniël knikte. Hij keek naar de dobber van zijn vislijn. Er zat geen beweging in. Hier en daar in de buurt kwamen luchtbelletjes naar de oppervlakte drijven. Ze spatten uiteen zodra ze boven waren. Te stil om te horen, maar je kon het goed zien. Een grote mug landde op het water niet ver van zijn dobber, en maakte rimpels. Daniël keek naar de mug tot ze weer wegvloog. Dan haalde hij zijn lijn binnen, en smeet ze weer uit. Zijn vader deed hetzelfde. Daniël keek hem zijlings aan, en zuchtte toen zijn vader dat deed.

“Papa?”

“Ja.”

“Misschien is de oorlog morgen al gedaan.”

“Misschien, maar ik denk het niet.”

“Hoe land duurt hij dan nog?”

“Dat weet ik niet.”

“Lang?”

“Mmm, hopelijk niet heel erg lang.”

“Papa? Niet iedereen gaat dood in de oorlog, of wel?”

“Natuurlijk niet.” Hij gooide weer uit. De lijn siste als een slang.

“Jij zal zeker dan wel niet dood gaan in de oorlog. Iemand anders misschien, maar jij niet.”

“Mmm, ik zal in elk geval mijn best doen om in leven te blijven. Je vader is geen domkop, dus als hij nu ook een beetje geluk heeft, dan moet dat wel in orde komen. En wie weet breek ik een been, en dan sturen ze me zo wel terug. Die dingen gebeuren ook.”

Daniël fronste, en zat even na te denken.

“Papa?”

“Ja.”

“Je kan ook hier je been breken, bijvoorbeeld als we straks naar huis gaan.”

“Mmm, dat denk ik niet.”

“Je kan proberen.”

“Met opzet? Nee, dat hoort niet.”

“Waarom niet? Wil je naar de oorlog?”

“Nee, maar het is mijn plicht om te gaan.”

“Waarom?”

“Dat is gewoon zo.”

“Maar als het niet je plicht was?”

“Misschien ging ik dan ook, dat weet ik niet.”

“Om ons land te beschermen?”

“Ja, daarom dan.”

Het was warm in de zon. In de viskoffer zaten twee opgevouwen, stoffen hoedjes. Zijn vader nam ze en zette een op zijn hoofd, dan ook een op zijn eigen hoofd. Het hielp een beetje, maar niet veel. De zon was echt warm die dag. Zelfs de vissen vonden het te warm. Ze beten niet. Daniël leunde voorover, zodat de tip van zijn grote teen net het wateroppervlak kon raken. Het water was koel, heel koel. Het was vast leuk om erin te duiken. Hij vroeg aan zijn vader of ze konden zwemmen, maar die schudde zijn hoofd.

“Er is niet zo heel veel tijd. Ik heb beloofd om nog snel boodschappen te doen.”

“Ga je nu al weg?”

“Enkel even naar de groenteboer.”

“Maar we zijn nog niet zo lang aan het vissen.”

“Toch al een tijdje. Ik heb vrees ik niet de hele middag.”

“Maar we zijn toch nog niet klaar met praten? Wat moet ik nog allemaal doen als je weg bent?”

“Mmm, vooral goed naar je moeder luisteren en je werkjes doen. Goed je best doen op school, en ik hoop dat je af en toe tijd hebt om een brief te schrijven. Dat is al heel wat. Je weet waar het geld ligt, dat is dat ook alweer. Ik zou zeggen als je dat allemaal al doet en onthoud, dat is voldoende. Nee wacht, er is misschien nog wel iets dat je kan doen. Een goede vriend zijn voor de andere kinderen. Je weet wel, als ze net als jij alleen thuis zijn met hun moeder. De kleintjes vooral, ze zullen het misschien moeilijk hebben in het begin. Je kan hen helpen om zich flink te gedragen, dat scheelt weer voor hun moeders.”

“Maar niet Lydia, he papa.”

“Waarom niet?”

“Ik vind haar niet leuk.”

“Wel, ik vroeg niet om haar leuk te vinden.”

Daniël zuchtte diep, en knikte dan. “Goed, ik zal ook haar vriend zijn.”

Enkele waterkippen kwamen aanzwemmen over het water. Ze maakten kabaal, en verdwenen dan in het riet aan de overkant van de vijver. Er was misschien een nest daar. Daniël keek ernaar maar kon er geen zien. Hij vroeg het aan zijn vader maar die kon er ook geen zien. Daniël stelde voor om straks samen te gaan kijken maar zijn vader dacht niet dat er tijd zou zijn. Daniël zuchtte.

Ze zaten stil naast elkaar.

Net als zijn vader ooit met opa.

Daniël haalde zijn lijn binnen. Dit keer hielp zijn vader met ze uitgooien. De lijn siste luid, en zijn dobber belandde een heel eind verder in het water. Van verderop kwam de geur van een houtkachel. Dat was een slecht teken. Daniël keek naar zijn vader om te zien of die het had geroken. Ja, hij had het ook geroken. Dat betekende dat het stilaan tijd was om thee te drinken. Zijn vader stroopte een mouw op. Keek op zijn horloge, en zuchtte haast onhoorbaar. Hij stond niet recht, toch niet meteen.

“Misschien heeft iemand zich van uur vergist met de kachel.”

“Nee, het is zo stilaan tijd om de thee op te zetten.”

De zon was al begonnen met zakken.

Daniël haalde zijn lijn binnen.

Ze raakte in de knoop en hij gaf ze aan zijn vader, die er een tijdje mee bezig was. Nog geen minuut nadat hij ze had teruggegeven, raakte ze alweer in de knoop. Erger, dit keer. Zijn vader nam ze weer aan en was een hele tijd in de weer met de lijn goed krijgen. Daniël viste met de lijn van zijn vader, maar het was een slecht dag om vissen te vangen. Ze wilden niet bijten. Misschien wisten ze dat het oorlog was, en hadden ze zich allemaal verstopt. Vissen waren niet dom, dat zei zijn vader altijd. Mensen denken wel eens dat ze dom zijn, maar dat is helemaal niet zo. Behalve soms, maar iedereen is wel eens soms dom.

“Kom niet te laat naar huis.”

Zijn vader stond recht.

“Nee nog niet!”

“Ik moet, of de winkel is dicht.”

“Maar ik heb nog vragen. Ik mocht ze stellen!”

“Waarom heb je die dan niet gesteld terwijl we hier zaten?”

“Ik heb ze nog maar net bedacht.” Daniël keek zijn vader aan. “Alsjeblieft!”

Zijn vader knikte, hurkte naast hem neer, maar ging niet zitten zoals even tevoren. Hij zette het stoffen kapje op zijn hoofd wat beter, en keek. Hij had zulke grote ogen, zijn vader. En zoveel haar op zijn kin. Wel, het waren stoppeltjes nu want hij had zich niet lang geleden geschoren. Daniël keek naar de stoppeltjes, en dan naar de neus van zijn vader. Hij snufte zelf wat snot weg, maar nam zijn zakdoek toen zijn vader dat zei. Het kostte hem meer tijd dan anders om zijn neus te snuiten.

“Wat wilde je nog vragen, Daniël?”

“Ik wil weten, wat er gebeurt met soldaten die dood gaan.”

“Wel, als ze dood zijn dan worden ze begraven, zoals andere mensen die sterven.”

“Ja maar komen ze terug naar huis? Of houdt de vijand ze misschien om ons verdrietig te maken?”

“Ik denk niet dat ze dat doen.” Zijn vader wreef over zijn stoppelbaard. “Het is een beetje wederzijds denk ik, wij geven hun doden terug en zij de onze. Als zij de onzen niet zouden afstaan, dan zouden wij dat ook niet doen met hun gesneuvelden. Daar heeft niemand baat bij. Het duurt misschien even voor ze iedereen weer thuis hebben, maar dat komt denk ik wel goed. Soms raakt wel eens iemand vermist, maar dat is niets waar je je zorgen om moet maken voor het echt gebeurd. En zelfs dan. Een graf hier of elders maakt denk ik zoveel verschil niet uit.”

“Waar moet ik dan naartoe om jou te bezoeken?”

“Je kan altijd aan mij denken, als je ‘s avonds je gebed opzegt.”

“Of op een ander moment. Ik kan ook op ander momenten aan jou denken.”

“Dat kan je zeker, en dat zal ik zelf ook doen. Ik zal heel de tijd aan jou en je moeder denken.”

“Ook als je met een geweer op de vijanden aan het schieten bent? Ook dan?”

“Mmm, misschien niet net dan. Maar alle andere momenten, dan wel.”

“Ik heb nog vragen.”

“Nog eentje.”

“Wacht.”

“Ben je zeker dat je er nog hebt?”

“Ik moet kiezen welke ik dan wil stellen.”

Daniël keek naar de dobber op het water, hij keek, en keek.

De hand van zijn vader wreef over zijn hoofd. Zijn vader stond recht.

Daniël draaide zich om en greep de broek van zijn vader. De vislijn viel in het water. Zijn vader zag het en bukte zich om ze voor hem op te rapen. Daniël wenste dat de vislijn wegdreef. Dat ze naar het midden van de vijver dreef. Dat zijn vader niet naar huis zou gaan voor die vislijn terug bij hem was. Als het hem vandaag niet lukte dan moest hij het maar morgen doen.

“Hier, laat hem niet terug vallen.”

Daniël smeet de vislijn van zich af. Ze belandde in de vijver, verder dit keer.

“Wat doe je nu?” De stem van zijn vader schoot omhoog. Dit keer klonk ze streng.

Hij gebruikte de andere vislijn om die in het water terug te halen. Toen hij zich omdraaide, keek hij wat verbaasd om zich heen. Daniël keek naar hem, knielend tussen het hoge gras. Zijn vader keek en keek maar vond hem niet. Dan keek hij naar het huis. Nam de viskoffer en de lijnen, en vertrok. Daniël keek hem na terwijl hij traag de heuvel op ging. Dan het huis binnen. De hor tegen de muggen viel dicht achter hem, maar het was te ver om de magneetjes te horen takken.

Het was stil aan de vijver.

Daniël zette zich weer op zijn plaats aan de rand.

Het was stil. Een tijdlang was het stil. Dan klonken er voetstappen. Ze klonken te klein om die van zijn vader te zijn. Daniël wist wie het was voor hij haar stom stemmetje hoorde. Lydia. Ze kwam op de aanlegsteiger met haar rode emmertje in de hand. Altijd dat stomme rode emmertje van haar. Ze droeg haar jurkje dat ze altijd droeg, met de stomme bloemetje die haar moeder erop had geborduurd. Het was niet mooi en zij was niet mooi, en alles aan haar wat stom. Daniël wendde zijn hoofd af, en legde zijn kin op zijn knieën. Hij wilde haar niet zien. Hij deed alsof ze er niet was. Maar hij rook haar. Ze rook naar het hooi waarin ze waarschijnlijk weer de hele middag had zitten spelen, in hun schuur.

“Hallo, hallo!” haar stemmetje klonk veel te stom. “Hoor je mij niet?”

Daniël keek haar niet aan. Hij antwoordde niet. Hij keek weg.

De waterkippen waren weer op de vijver. Hij keek daarnaar.

Lydia schepte water met haar emmertje. Wat deed ze er toch altijd mee? Hij hoorde dat ze het te vol had gedaan en dat er een deel water uit liep. Ze zette het op de houten planken. Te wild. Er klutste wat van het water uit. Daniël voelde het onder zijn billen lopen en zijn broek nat maken. Hij draaide zich met een zucht naar haar toe, en keek haar zo kwaad mogelijk aan.

“Doe niet zo stom!”

“Ik doe nooit stom, Daniël!”

Ze stak glimlachend haar tong uit.

Daniël trapte naar haar emmertje en het viel om. Ze kon het nog net pakken voor het in de vijver belandde. Met rode wangen en ogen die bliksems schoten keek ze hem aan. Dan veranderde haar gezicht en ze keek hem op een manier aan die hij niet kende. Ze zette haar emmertje neer en knielde bij hem. Legde haar handjes op haar schoot, en keek. Waarom keek ze hem zo aan.

“Waarom huil je?”

“Ik huil niet!”

Daniël wreef snel met zijn handen over zijn ogen.

“Jawel, je ogen zijn nat.” Ze kwam dichterbij en wilde ook wrijven.

Daniël duwde haar zo hard naar achteren, dat ze bijna van de steiger in het water viel. Ze viel niet in het water, maar ze bezeerde zich aan haar elleboog. Haar gezicht werd weer kwaad. Ze nam haar rode emmertje, en Daniël dacht dat ze ermee zou wegrennen. Om het tegen haar moeder te vertellen, vast. Hij had het verkeerd. Ze zette een stap naar hem toe. En BONG de emmer sloeg tegen zijn hoofd. De klap was hard genoeg om een ei te klutsen. Daniël greep naar zijn hoofd. Tranen sprongen in zijn ogen. Eerst een paar, en dan steeds meer. Meer, en meer, en meer. Hij viel neer op de planken en huilde.

“Zo hard was het toch ook niet!”

Lydia streelde over zijn rug.

“Niet huilen, Daniël!”

Hij probeerde niet te huilen, maar het lukte hem niet. Hij hield zijn handen op zijn hoofd, en hield ze daar. Maar de pijn verspreidde zich doorheen zijn hele lichaam. Hij ademde snel. De warme armpjes van Lydia probeerden hem te omhelzen. Ze greep hem stevig vast en fluisterde de ene sorry na de andere in zijn oor. Steeds meer sorry’s, haast zonder adem te halen. Daniël zakte van zijn knieën op zijn zijkant en bleef opgekruld op de houten planken liggen. Hij kon het niet meer houden en huilde, huilde zoals hij het voelde ook al was Lydia in de buurt. Hij huilde tot zijn lichaam ervan schokte, en Lydia in paniek bij hem weg rende, met haar korte beetjes de heuvel op, naar het huis.

“Mevrouw Adams!” brulde ze, best luid voor iemand die nog maar zo klein was.

Daniël lag nog steeds op de harde planken toen zijn moeder hem daar vond. Hij liet zich door haar van de grond tillen. Hij huilde nog steeds. Hij zei niets. Ze vroeg hem niets. Lydia volgde hen de heuvel weer op, en zei steeds maar weer dat ze niet zo hard had willen slaan. Dat ze niet zo hard had geslagen, als ze had geweten dat het hem zoveel pijn zou doen. Ze begon te huilen, en moest mee in het huis gedragen worden door de moeder van Daniël. Haar rode emmertje, dat ze van haar vader had gekregen, bleef bij de vijver achter. Daniël vond het niet, want het duurde lang voor hij weer naar die plaats terugkeerde.

Pas na vele jaren.

* * *