HÉ BJORN, WAT SCHRIJF JE NU WEER? – EPISODE 21

NIEUWS UIT HET (SCHRIJVERS)LEVEN VAN PEETERS BJÖRN

HOOGMOED EN DE VAL

Hoogmoed komt voor de val, dat is een klassiek verhaalelement. Ik hoor het te kennen, maar was het eerdere deze week even vergeten. Op een nieuwjaarsreceptie in de tekenschool waarschuwde iemand me voor een verkoudheid die ze had meegebracht. Geen probleem, verkondigde deze schrijver. Na de afgelopen winter en wat allemaal al niet aan bacteriën van de school van mijn zoontje mee naar huis was gekomen, verklaarde ik mezelf voor immuun.

Ja.

Sindsdien zit ik met de snotters, en mijn hoofd voelt wat waziger aan dan anders.

Geen reden om niet te schrijven (er zijn niet zo bijster veel redenen om niet te schrijven) maar ik geef toe dat het de afgelopen dagen een wat vreemde ervaring was. Soms voelde het als schrijven na een glas te veel drinken. Ik denk dat ik iets behoorlijks op papier heb gezet, maar zeker ben ik niet. Ik zal maandag wel zien, als ik het laatste werk van vorige week doorneem. Wie weet is het beter dan al wat ik tot nu toe schreef. Nee, ik vertel niet aan welk verhaal ik werkte. Anders staat dat verhaal tot het einde van zijn dagen bekend als ‘geschreven tijdens een sufmakende verkoudheid.’

Dat zou niet eerlijk zijn tegenover het verhaal.

Eline zei dat ze benieuwd is wat ik in mijn iets of wat suffe toestand schreef.

Ik heb haar al een paar keer gezegd dat ik wel eens wil weten, wat er uit mijn pen vloeit als ik te veel gedronken heb. Iets briljant? Ik vermoed eerder dat het onsamenhangend geleuter zal zijn. Maar wie weet. Helaas zal het experiment niet voor meteen zijn. Het is jaren (heel wat jaren!) geleden sinds ik nog eens te diep in de fles keek. Ik kan me herinneren dat ik ooit eens een tandenborstel uitlachte en ik denk, hoewel ik niet zeker ben, dat ik er toen ook tegen heb gepraat. Ik ben ook eens tegen een bed aangesprongen. Beide incidenten in het gezelschap van minstens één meisje, waar ik ongetwijfeld weinig indruk op heb gemaakt.

Hoewel, met één van hen ben ik getrouwd.

Hoe dan ook, die twee of drie keer te diep in het glas kijken liggen al ver achter mij. Nu hou ik op met drinken voor ik mezelf belachelijk maak. Verstand komt met de jaren zeker? Trouwens, als ik gek wil doen dan schrijf ik gewoon een nieuw humorverhaal. Conclusie, een schrijver kan het zonder een overdaad aan alcohol stellen, en naar mijn mening ook zonder verkoudheden.

Helaas is het een al makkelijker af te zweren dan het andere.

Als deze post wat onsamenhangend is, mijn excuses.

De verkoudheid is nog niet overwonnen.

Later deze ochtend wordt ik op een brunch verwacht. Wie weet waar kom ik dit keer mee naar huis. Of wie weet, misschien stuur ik wel iemand anders naar huis met mijn verkoudheid. Ik hoop van niet, maar voor een verkoudheid blijft een mens niet thuis. Niet nadat hij heeft gezegd dat hij en het gezin aanwezig zullen zijn. Mijn lezers kunnen in elk geval gerust zijn, dit soort virussen verspreid zich tot nu toe en voor zover ik weet nog niet via het internet.

Vandaag verscheen Gewettigd, het vierde kortverhaal in de MOSSEL! reeks.

Volgende week is het de beurt aan een nieuw OP KOT kortverhaal.

Hieronder heb je cover en flaptekst van Ongehoord.

Hou je rok vast, want er blaast een nieuwe wind door de boekenwinkel! Geïnspireerd door zijn eigen verblijf in een studentenkamer, presenteert Björn Peeters de reeks OP KOT. Hilariteit troef terwijl deze jonge meiden hun weg in het leven zoeken. Te beginnen met een kamer waar het behang niet van de muren krult (en de kotbaas niet helemaal kierewiet is). Dacht je dat dat makkelijk was? Ha! Lees dan de avonturen van deze meiden maar eens!

In ONGEHOORD trekken tweelingzusjes Kim en Candy naar de stad, op zoek naar een kamer. Met smalle rokken en gladgeschoren benen. Met hun beste (identieke) handtassen. Klaar om de wereld te veroveren. Ze zijn vastberaden om zich niet in de luren te laten leggen. Blond, maar niet dom! Deze twee meiden weten wat ze willen. En wat ze absoluut niet willen!

Kortverhaal (HUMOR)

De OP KOT reeks is 16+

Daarmee bereiken we weer stilaan het einde van deze blogpost.

Hieronder vind je de schets die ik deze week met jullie wil delen. Dark Fantasy dit keer. Duister maar niet bloederig. Geschikt voor alle behalve de echt jonge lezers, zou ik zo zeggen. Geen deel van een van mijn bestaande reeksen. Als je wilt weten wat ik bedoel met ‘schetsen’ blader dan even terug naar mijn vorige twee posts. Veel leesplezier en tot volgende week weer!

Ik wens jullie allemaal een fijn weekend.

Björn

OM NOOIT TE VERGETEN

(VERHAALSCHETS)

DARK FANTASY

Het pad was smal, en boog een tiental meter verderop naar rechts achter enkele lager struiken. Aan beide kanten van het pad groeiden lage struiken waar makkelijk een vos in kon schuilen, maar die te laag bij de grond waren om een mens te verbergen. Tenzij iemand zich de moeite getroostte om plat op de kille en vochtige bosgrond te gaan liggen. Kira dacht niet dat dit het geval zou zijn, en zette de verontrustende gedachte dat er iemand vanuit de struiken tevoorschijn zou komen van zich af.

Ze vouwde haar handen voor haar borst, en wachtte.

Onder de overhangende takken van het bladerige struikgewas, lag een dunne laag van takjes, oude bladeren en verdroogde besjes die eerder van de struiken waren losgekomen. De glimmende, gladde bessen die er hier en daar tussen lagen, waren maar net afgevallen. Kira vermoedde dat ze net zo giftig waren als ze vers waren als wanneer je de gedroogde en verpulverde variant gebruikte. De naam. Ze had de naam van de struiken ooit geweten, maar kon hem nu niet uit haar geheugen opdiepen.

Het was dan ook al zo lang geleden dat ze hier kwam.

De bomen aan de rechterzijde van het pad hadden een kaarsrechte stam, maar niet één ervan stond echt rechtop. Het leek erop dat de wind na jaren uit dezelfde richting te waaien, de rechte stammen zover had gekregen dat ze overhelden naar het pad. De ene al iets meer dan de anderen. Maar niet een van de bomen aan die zijde van het pad stond loodrecht op de grond. Ze hadden amper bladeren, enkel aan de top. Alsof ze waren kaalgeplukt door vraatzuchtige dieren en dan aan hun lot overgelaten. Niet dood en vernield, maar ontdaan van al hun kracht en schoonheid.

Net als zij.

Hoewel, niet van haar kracht.

Nee, niet helemaal van haar krachten.

Drie van de bomen waren door de wind omver geduwd maar niet helemaal gevallen. Ze leunden met de kruin van hun kaarsrechte stammen tegen de takken van de andere bomen. De weelderige bomen die aan de overkant van het pad stonden. Die wel nog rijkelijk van takken waren voorzien, en die wel nog een weelderig bladerdek bezaten. Deze groene reuzen met hun minder rechte stammen, met hun dikkere, kronkelende takken, voorkwamen dat de rechte stammen op het pad vielen.

Niet dat het veel had uitgemaakt.

Het pad was te smal, er reden hier geen karren. Een reiziger te voet kon zonder problemen over die stammen van amper twee handen dik heen stappen. Een paard ook, tenzij het een heel lui paard was dat elke kleine hindernis als een onmogelijk obstakel behandelde. Kira had ooit eens zo’n paard gezien en medelijden gehad met het dier. De zweep van de meester was zijn beloning voor de luiheid. Daar was zijn gehavende rug het overtuigende bewijs van geweest. Of wie weet was het andersom, en had het dier besloten om dienst te weigeren aan zulke een wrede meester als hij had.

Kira wist wel wat ze in zijn plaats had gedaan.

Maar paarden sneden niemands keel over.

En ze vergiftigden niemand.

Misschien had ze het in de plaats van het paard moeten doen, maar wat zou er dan geworden zijn van het arme dier. Het had een andere meester kunnen treffen die hem nog wreder behandelde. Het kon ook beter. Het kon veel beter. Het kon ook vele malen erger zijn dan het dier besefte. Kira had meer dan eens een paard gezien dat was omgekomen door honger en ontbering. Ten tijde van de oorlog, niet toen het weer beter werd in deze streek. Nee, de paarden nu hadden het vast niet zo erg als toen. Net zomin als de mensen, hoewel niet elk van hen het verdiende. Al mocht ze niet te snel oordelen, natuurlijk. Het was al ruim honderd jaar geleden sinds ze deze streek had bezocht. Elkeen die ze op de weg naar hier had gezien, was de zoon of dochter van iemand die ze lang geleden had gekend.

De zonden van hun ouders vielen hen niet te verwijten.

Ook al vielen ze dan op hun schouders.

Iemand betaalde de prijs.

Zo was het.

Kira richtte haar blik op de vochtige bosgrond tussen de struiken, en probeerde zich te herinneren hoe die had geroken. De vochtige aarde, en de ontbindende moes van bladeren, takken en bessen. Hoe hard ze ook haar best deed, ze kon het zich niet voor de geest halen. Net zomin als ze zich het gevoel van het lichtere, lossere zand op het pad kon herinneren. Ze had geweten hoe het voelde als ze het tussen haar vingers liet glijden. Ze had het geweten, maar nu kon ze het zich niet meer voor de geest halen. Het was te lang geleden. Net zoals het aanraken van de bomen. De kleine krak onder je voet als je op een van de dorre takken stapte wanneer je je tussen de struiken begaf.

Ze herinnerde zich dat die krak er was.

Maar kon het niet meer horen.

Alsof er een gat in haar herinneringen zat; een zwart gat dat alsmaar groter werd.

Gelukkig kon ze nu wel horen, al kon ze wel geen takken meer breken. Ze kon luisteren naar al de ruisende gesprekken die de bomen onderling voerden. Ze kon de eekhoorn horen, die wegrende over een van de over het pad hellende bomen. In zijn vlucht voor wat dan ook, liet hij een eikel vallen die hij ergens dieper in het bos was gaan halen, aangezien er hier geen eiken stonden. Kira luisterde naar het tokken van de eikel op de stam. Er klonk geen geluid dat zij kon horen, toen hij na twee tokken van de boom viel en tussen de struiken op de zachte bosgrond belandde. De eekhoorn aan de andere kant, liet zijn ongenoegen luid genoeg blijken. Ze hoorde hem nog even, ook al zag ze hem niet meer.

De geur; hoe was de geur van bosgrond nu ook alweer.

Ooit had ze zoveel geuren geroken en zovelen ervan onthouden. Ooit had ze zoveel herinneringen aan de geuren van het bos gehad. Nu ze ze nodig had, lieten ze haar in de steek. Net als hoe het voelde om met je hand tussen de struiken te ritselen. Net zoals het voelde wanneer de wind die de bomen en de struiken bewoog door je haren blies en ze rondom je gezicht bewoog.

Er ritselde iets in de struiken rechts van haar.

Kira keek om, en hief met een ruw gebaar haar rechterhand.

Het was een bruin met rode vogel, niet grote dan de palm van haar hand.

Natuurlijk was het geen mens. Wie zou zich de moeite getroosten om daar op zijn buik tussen de struiken te liggen, alleen maar om iemand die over dit pad kwam te bespringen. De mensen die over dit pad kwamen waren niet rijk. Het meeste dat een overvaller hier kon bekomen was wat koperen munten en misschien als de boer er niet vrijwillig afstand van deed, een stevig pak rammel. Dus waarom was ze er dan zo bang voor, alsof ze hier als een kind stond. Een herinnering aan die tijd? Was ze als kind ook al bang geweest voor verborgen rovers toen ze over dit pad kwam gelopen?

Elke herinnering daaraan ontging haar.

Maar dat moest de reden zijn.

Dat ze nu bang was.

Wat anders?

Het licht begon langzaam uit te sterven tussen het gebladerte van de bomen. Kira keek omhoog en zag het licht langzaam plaatsmaken voor de schemering. Omgeven door de bomen was het onmogelijk om de zon zelf te zien. Ze moest snel aan het zakken zijn. Of misschien was haar besef van tijd niet heel en al exact. Ze had zich er eerder al over verbaasd dat het reeds honderd jaar geleden was, sinds ze hier was gekomen. Het had helemaal niet zo lang geleken. Nee, helemaal niet zo lang.

Uiteindelijk is het een vreemd iets, dacht ze.

Tijd.

Voetstappen op het pad.

Ze naderden haar met een snelle tred, niet achter haar, maar voorbij daar waar het pad onder de scheefgezakte boomstammen leidde, en uit het zicht wegboog. Kira wachtte, ze wachtte tot een man vanachter de struiken tevoorschijn stapte. Een man met rechte schouders, gekleed zoals werklieden in deze tijd dat deden. Met een stevige tred alsof hij ergens moest zijn, en niet zeker was of hij daar op tijd zou komen. Zodra ze hem over het pad naar haar toe zag komen, ging ze hem tegemoet. Hij hield zijn blik op het pad voor zich gericht en stapte hijgend verder.

Hij zag haar niet komen.

Er waren geen voetstappen die hij kon horen.

De man spuwde zijlings tussen de struiken, snoof en dan nog eens. De bruine muts op zijn hoofd die hem hetkenbaar maakte als een niet heel welvarende man, stond scheef op zijn hoofd. Ze belemmerde zijn zicht deels, anders had hij haar eerder opgemerkt. Toen hij haar zag, stond ze al voor hem. Hij liet een kreet die tot ver in het bos te horen moest zijn. Viel, en krabbelde achteruit over het pad. Heel zijn gezicht verkrampte terwijl hij naar haar keek. Alle kleur was er in een oogwenk uit verdwenen. Alsof in één moment al het bloed door een duistere magie uit zijn lichaam was gehaald.

Kira volgde hem.

Toen de man een eind over het pad was gekropen en tussen de struiken wilde vluchten, hief ze haar hand en de man verstijfde. Kleine indrukken als van onzichtbare vingers werden zichtbaar om zijn ontblote keel. De sjaal die hij half om zijn hals gewikkeld had gedragen, schoof op de grond. De muts stond nog steeds op zijn hoofd maar bedekte nu één oog en één oor. Hij ademde snel. Zweet parelde in dikke druppels op zijn verkrampte gezicht. Hij spartelde met armen en benen; tevergeefs.

“Jij bent de eerste die hier passeert.” zei Kira toonloos.

“Het spijt me… het spijt me…” kermde de man.

“Er is niets dat je zou moeten spijten.” ze dacht na. “Toch niet ten aanzien van mij, denk ik.”

Kira liet haar hand zakken en de man hapte met een halve schreeuw naar adem. Hij deed niet nog een poging om tussen de struiken te vluchten. Dat was goed. Anders had ze hem misschien pijn moeten doen. Dat wilde ze niet. Ze kwam dichter bij hem, geruisloos. Boven hen rukte de wind aan de bladerrijke, kronkelende takken van de bomen links van het pad. Het licht doofde uit, het doofde zo snel uit bedacht Kira zich. Toen ze weer naar het zicht van de man keek, besefte ze dat ze minder van hem kon zien dan een moment eerder.

Of was het meer dan een moment?

Ze wist het niet meer.

De man rilde.

“Wat wilt u van mij?” wist hij uit te brengen.

“U moet wat voor mij doen, niets meer dan dat.” zei Kira. “Lang geleden gebeurde hier iets, dat niet vergeten hoort te worden. Er was een vrouw en een mes. En een vrouw die iets jonger was, en ze had wat bij zich. Een doos met eieren. Niet meer dan dat. Er was bloed, veel bloed. Gillen. Maar het is vergeten, vrees ik. Zelfs door mij, de details in elk geval. Ik kan me de details niet meer herinneren. Er was bloed, en het was een misdaad. Er was ook een lichaam dat moest verdwijnen, hier. Het ligt nu in de buurt van dit pad, een voet of vier onder de grond denk ik.”

De man leek haar niet te begrijpen.

Hij probeerde iets te vragen.

Zijn tanden klapperden.

“Wat wilt u dat ik daaraan doe, als het lang geleden gebeurde?”

“Mensen mogen het niet vergeten.” zei Kira. “Het is niet iets om te vergeten, vind ik. U moet het lichaam opgraven. U moet het naar het dorp verderop brengen. U moet vertellen wat er is gebeurd. U moet zorgen dat de mensen daar het weer weten. Dat ze weten wat hun ouders wisten. Ze mogen het niet vergeten, dat zou verkeerd zijn. Eieren, dat was alles dat ze bij zich had. Is dat niet vreemd. Dat er om een doos eieren zoiets zou worden gedaan? Ik begrijp het niet goed, om eerlijk te zijn. Hoe het had kunnen gebeuren, ik begrijp het niet. U moet het aan iedereen vertellen. Misschien is er iemand die het wel begrijpt. U bent de eerste die hier passeert nu ik hier ben, u moet het doen.”

“G-g-g-g-goed.” wist de man uit te brengen. “I-i-i-k zal het lichaam voor u zoeken.”

“U hoeft het niet te zoeken.” zei Kira. “Ik toon u het lichaam, en dan moet u het naar het dorp brengen en de mensen over de misdaad vertellen. Het is niet heel diep onder de grond begraven, in een houten kist. U moet vertellen dat iemand een kist naar hier bracht en het lichaam daarin heeft begraven. Ik vraag me af waarom. Was het dezelfde vrouw? Zou iemand een misdaad begaan en dan de moeite doen om een kist te halen? Misschien komt u het wel voor me te weten, als u daar bent. Ik kan niet langer blijven, dus u moet alleen graven. In de kist is voldoende plaats, en het hout is rot. Het zal u niet veel moeite kosten om bij de oppervlakte te komen, en het lichaam naar het dorp toe te brengen. Nee, het is maar een kleine moeite voor iemand zoals u.”

“W-w-w-w-w-at bedoelt u, plaats i-i-i-i-i-i-in de kist?”

Kira hief haar beide handen en de man was weg.

Enkel zijn sjaal bleef achter op de bosgrond.

Kira richtte langzaam haar blik op.

Het was donker nu.

Het was tijd.

Enkel de sjaal bleef achter langs de kant van de weg.

* * *