HÉ BJORN, WAT SCHRIJF JE NU WEER? – EPISODE 20

NIEUWS UIT HET (SCHRIJVERS)LEVEN VAN PEETERS BJÖRN

NIEUWS OVER ICTILUNI & NIEUW MOSSEL! KORTVERHAAL

De eerste volledige week van het nieuwe jaar zit er stilaan op, en daarmee heeft het leven weer zijn gewone ritme teruggekregen ten huize van deze schrijver. De school heeft zijn deuren weer open gegooid, dus ik maak weer mijn dagelijkse ritjes heen en weer met mijn zoontje achterop de fiets. De tekenlessen zijn weer van start gegaan, en heb deze week bijgeleerd over perspectief. Ik ben ook een paar keer naar de judo les gegaan, en heb voor zover ik weet geen blijvende schade opgelopen. Ook niet toegebracht, naar ik hoop. Natuurlijk zijn er zoals altijd de vele kleine gebeurtenissen van het dagdagelijkse leven. Te midden van dit alles is de schrijftrein intussen weer vertrokken (al heeft hij nu ook niet bepaald veel stilgestaan tijdens de afgelopen feestdagen).

Eline heeft het nieuwe Ictiluni boek gelezen en het de duim omhoog gegeven. Dus kan nu de redactieronde starten, en daarna wordt het stilaan tijd om het boek een plaats op de planning te geven. Eens dat is gebeurd, kan ik jullie een verschijningsdatum meedelen. Ik kan ook zeggen dat er daarnaast nog enkele kortere Ictiluni publicaties aankomen. Voor de meer ervaren Ictiluni lezers die de Saga Van De Twee Prinsessen uit hebben, kan ik ook al vertellen dat de nieuwe verhalen een paar kleine verrassingen bevatten. Ook enkele hints over de toekomst van de reeks.

Sorry, maar meer geef ik daar niet over prijs!

Na een boek schrijf ik wel eens een aantal kortverhalen, en dat is nu ook het geval.

De afgelopen tijd heb ik heel wat humorverhalen geschreven. Eline wees me daar onlangs op na het zien van de publicatieplanning, en ze heeft gelijk. Deze week heb ik ook weer aan een nieuw humorverhaal gewerkt. Humor en Fantasy, dat lijken de laatste tijd zo’n beetje de genres waar ik als vanzelf in begin te schrijven. Waarom? Wie zal het zeggen? Het kan ook weer op een dag tijd veranderen, of niet. We zien wel wat de komende maanden brengen! Intussen werd er vandaag een nieuw Infinitus Memorias verhaal gepubliceerd. En volgende zaterdag wordt het een MOSSEL! kortverhaal. Reeds het vierde in de reeks! Als je fan bent van humor en boze mensen (HEEL, HEEL BOOS!) dan is dit een verhaal voor jou.

Hieronder heb je de cover en de flaptekst van GEWETTIGD

De goegemeente mag al paars aanlopen, want Peeters Björn presenteert een nieuwe humorreeks! Mensen laten zich van hun beste kant zien in MOSSEL – de reeks waar het potje overkookt! Verkeersboete of fles wasmiddel. Kwijlende hond of eierdopje. Soms volstaat elke reden om het vuur aan de lont te steken. En als in doodgewone mensen Het Beest ontwaakt… Welkom in de wereld van MOSSEL! Waar de melk overkookt, de trein van de rails vliegt en de stoppen met stinkende rook doorbranden. Beter dan televisie en ongepaster dan je coke snuivende schoonmoeder.

Leesplezier gegarandeerd!

In GEWETTIGD maakt agent Kurt de buurt (on)veilig. Als enthousiaste arm der wet cruiset hij met zijn trouwe autootje ‘Vicky’ van misdaad naar misdaad. Om eens goed orde op zaken te stellen. Wie moeilijk doet, die slingert hij op de bon. Of in de cel. Niemand ontsnapt aan de arm der wet! Maar dan ook echt niemand, niemand, niemand! Kaaaaaalm, Kurt!

Kortverhaal (HUMOR)

De MOSSEL reeks is 16+

Daarmee bereiken we weer het einde van deze blogpost.

Voor mij is het tijd om te gaan ontbijten nu, en daarna weer even naar de judoclub. Vorige week zei ik dat ik elke week een schets zou maken. Zoals tekenaars en schilders dat doen, maar in plaats van een tekening doe ik het met een korte tekst waarin ik plaats en personages schets. Ik heb ook gezegd dat ik elke week een van die schetsen zou delen. Hieronder heb je de eerste van dit jaar! Ik laat ze een aantal maanden online staan, maar dan haal ik ze er weer af. Dus als je ze allemaal wil lezen, wees er dan op tijd bij! En voor fans van een van mijn reeksen: er zullen soms ook schetsen tussen zitten die zich in één van mijn reeksen afspelen.

Fijn weekend allemaal!

Björn

ORDE OP ZAKEN

(VERHAALSCHETS)

SLICE OF LIFE / HUMOR

Het zonlicht viel die ochtend overvloedig op de flank van de heuvel. Hoewel het zicht van de duizenden gele bloemen tussen het groen haar zo vertrouwd was als haar eigen aangezicht, wanneer ze thuis in de oude spiegel keek, kon ze niet anders dan zich verwonderen over de schoonheid van het wijds landschap. Ze stapte kalm tussen de ritselende grassen en kniehoge struiken die de glooiing van de heuvel naar beneden volgden. Alleen stapte zij naar boven toe, tegen de zin van de koele wind die in vlagen van over de geel en groene heuveltop kwam aanrollen.

Er was geen zichtbaar pad, maar dat had Melissa ook niet nodig.

Een bezoeker die niet zo vertrouwd was met de streek als zij, kon zich oriënteren op de eenzame den die met zijn naaldrijke takken boven de andere begroeiing uitstak. Melissa had ooit eens iemand uitgelegd hoe je langs de juiste kant de heuvel op kon komen, door precies naar die kleine den te verwijzen. Hoewel deze ongewone verschijning tussen de bloemen en lage struiken niet groter was dan zijzelf, was het omwille van zijn uitzonderlijkheid hier op de bergflank een goed punt om je op te richten. Enkele kinderen uit het dorp hadden hem eens willen omtrekken, omdat hij daar niet op zijn plaats stond.

Het was niet hun bedoeling geweest hem te vernielen.

Ze wilden hem terug naar het bos beneden in het dal brengen.

Zodat hij weer bij de andere dennenbomen kon staan, in plaats van daar in zijn eentje bijzonder te staan wezen tussen de bloemen, en in de winter, als enige op de heuvelflank met zijn kruin boven de sneeuw uit te steken. In plaats van zoals alle andere begroeiing netjes kopje onder te gaan, en ruim baan te maken voor de sleeën en omgekeerde deksels van vuilnisbakken waarmee de koters uit het dorp de heuvelflank af zoefden. Trek hem er maar uit, hadden de kinderen gedacht. Trek hem eruit vooraleer hij te groot wordt, en zijn wortels zo diep in de aarde zijn gekropen dat je ze niet meer los krijgt.

Melissa was toevallig langs hen heen gestapt toen ze klaarstonden om de heuvel op te trekken.

Met een roestig karretje op wielen dat ze ergens uit een tuin hadden ‘geleend’ en enkele touwen, die er verdacht veel uitzagen alsof ze kort voordien nog als wasdraad hadden gediend. Tommy, de zoon van de houthakker en al een flinke kerel van tien, was hen aan het uitleggen hoe ze het zouden doen. Enna, de dreumes van de hoop, met laarsjes die zoveel te groot waren dat ze tot aan haar knieën kwamen, was terwijl een deuntje aan het zingen en aan het snuiven, omdat ze haar zakdoek thuis vergeten was. Melissa had hen ervan overtuigd om de den te laten waar hij stond.

In plaats daarvan waren de koters met het karretje gaan rijden, aan de rivier.

Melissa was nooit te weten gekomen wat ermee was gebeurd: met het karretje dan. Ze had het groepje kinderen later die avond op de heuvelflank aangetroffen, bij de eenzame den. Zonder touwen en zonder het karretje. Starend naar de blauwgrijze bergen met besneeuwde pieken, die je vanaf de heuvelflank en op een heldere dag heel goed kon zien. Enna was nog steeds aan het snuiven, omdat ze nog steeds geen zakdoek had om haar neus te snuiten. Het snot onderaan haar neus was intussen met een rijkelijke portie donker zand vermengd. Ze was ook blootsvoets, en wilde het niet hebben over waar haar laarsjes waren of wat ermee was gebeurd, behalve dan dat ze die zeker niet in de rivier was verloren.

Toen Melissa achter het karretje informeerde, renden ze allemaal de heuvel af.

Melissa glimlachte bij de herinnering toen ze de den passeerde.

Hoe vaak had ze niet zelf als kind deze heuvel beklommen, om te ontkomen aan de gevolgen van het een of ander kattenkwaad dat ze had uitgehaald. Hoe vaak had ze niet de beschutting van de blokhut aan de top van de heuvel opgezocht, en haar grootvader overtuigd om te zeggen dat hij haar helemaal niet had gezien, als haar moeder op de deur kwam bonzen. Toen die keer dat ze de soeplepel van haar moeder had geruild met Davy (die er modder mee uit de rivier was gaan scheppen) omdat ze zo graag dat jurkje van zijn zus wilde, die even oud was als zijzelf maar veel mooiere kleren in haar kast had.

Haar grootvader had haar toen voor een ferm pak billenkoek behoed.

Melissa liet haar rechterhand over de goudgele bloesems strijken, betastte de zachte bloemblaadjes terwijl ze in herinneringen verzonken verder stapte, en trok dan haar hoed wat beter zodat haar gezicht in geheel door de schaduw van de brede rand werd bedekt. De zon scheen erg warm en ze moest op haar huid letten. Ze was nog maar halfweg de twintig, en wilde er niet nu al als een oud besje gaan uitzien. Haar moeder kon het haar nu niet meer zeggen, maar als ze nog leefde dan zou ze daarnet zeker gezegd hebben om haar hoed op te zetten. Waarschijnlijk zou ze aangedrongen hebben om ook haar parasol mee te nemen op de wandeling, maar die liet Melissa liever thuis. Zo genoot ervan om de warmte van de zon op haar rug te voelen, doorheen de stof van haar jurk.

Trouwens, ze had de mand met brood al om te dragen.

Melissa richtte haar blik op de top van de heuvel maar zag haar grootvader niet.

Dat verbaasde haar niet echt. Het kwam maar zelden voor dat hij de blokhut uitkwam, tenzij daar een dwingende reden voor was. Jaren geleden stond hij haar wel eens op te wachten, als hij dacht dat ze misschien zou komen. Soms liet ze zich dan halfweg de heuvel pardoes tussen de struiken en bloemen vallen. Waarbij ze vast altijd wel een of andere krekel of een ander klein insect verpletterde. Dan hield ze zich met kloppend hart en gejaagde adem verborgen tussen de lage begroeiing, alsof ze een klein konijntje was dat zich voor de grote, boze jager verborgen moest houden.

Haar grootvader was een bijzonder goed jager.

Hij kwam haar altijd zoeken, maar kon haar niet altijd vinden.

Melissa wist intussen wel zeker dat hij met opzet af en toe langs haar heen stapte, terwijl zij opgerold als een van moeders zoete krulgebakjes tussen de bloemen lag te grinniken. Om dan plots tevoorschijn te springen en gillend als een gek de heuvel op te rennen. In een waanzinnige poging om als eerste bij de blokhut te zijn; soms nog een meer dan behoorlijk eind de heuvel op. Eén kans op drie dat ze voordat ze de blokhut bereikte weer tussen de bloemen verdween. Dit keer niet met opzet, maar omdat ze over een wat grotere kei was gestruikeld, of haar vermogen om over een struikje te springen had overschat. Met al de gevolgen van dien, en vaak ten koste van het jurkje dat ze droeg.

Haar moeder had veel billenkoek uitgedeeld, in de korte tijd dat ze had geleefd.

Nooit haar grootvader.

Hoewel hij beweerde ooit eens een bruine beer billenkoek te hebben gegeven, omdat die het lef had om steeds maar te ontkomen, als hij op hem schoot. Dat verhaal was een plaatselijk legende onder de kinderen geworden, en Melissa had meer dan eens een groepje jongens en meisjes mee naar de blokhut genomen, waar het vel van de beer voor het haardvuur lag. Heel wat tijd was besteed aan het zoeken naar de precieze plaats waar haar grootvader de billenkoek op had uitgedeeld. Een ruw en nogal gehavend stukje vacht dat wel eens de plaats des billenkoeks had kunnen zijn, bleek achteraf de plaats waar haar grootvader eens zijn brandende pijp op had laten vallen.

Melissa liet een zucht waar een lachje in klonk.

Haar grootvader zou blij zijn met het brood dat ze hem bracht, daar was ze zeker van.

Hij kon niet veel meer jagen, want zijn benen lieten geen al te verre trektochten meer toe (al zei hij wel eens dat de dag dat ze een prijs gaven voor roddelende besjes uit het dorp, dat hij dan bereid was om nog een keer zijn geweer van de haak te halen). Maar zelfs nu hij tijd te over had, at hij weinig. Te lui om zijn eigen potje klaar te maken, had haar moeder daar eens over gezegd. Melissa had als kind ook vaak manden met eten naar de blokhut gedragen en deed dat nu nog steeds met evenveel plezier.

Het klingelen van een bel deed haar opkijken.

In het dal krioelde het van de koeien en ze droegen allemaal een bel om hun nek, maar net op deze heuvelflank waren de bellen zelden te horen. Het was hier te stijl en de hoeders, die meer dan voldoende andere plaatsen hadden om de gemoedelijke dieren te laten grazen, kwamen hier zelden. Bovendien, als de koeienbellen dan toch te horen waren, dan klonken ze niet zo wild. Dan klonken ze niet alsof ze met grote kracht heen en weer werden geslingerd, en ze kwamen al zeker niet van bovenaf de heuvel.

Melissa bleef staan midden in een bijzonder dichtbevolkt bloemenveld, en keek.

De zon scheen achter haar dus ze kon probleemloos de heuvel op kijken.

Iets wit kwam met grote snelheid de heuvel af gerend.

“Ankie?” mompelde Melissa, en ze wachtte af.

Het bleek inderdaad Ankie te zijn, en de geit kwam met een rotvaart naar beneden. Ze sprong over struiken en duikelde tussen bloemen, rende zo snel dat haar poten er bijna van in de knoop raakten, en bééééé’de alsof de boze beer uit haar nachtmerries haar op de hielen zat. Het dier had ook een sok op een van zijn hoorns; een geel geruite sok die aan een hele grote voet toebehoorde.

“Kom hier, duivelsgebroed!” bulderde een stem hogerop de heuvel.

Melissa keek in de richting van het kabaal, en zag haar grootvader de heuvel af rennen. Gekleed in een loshangend hemd, een onderbroek, en wat ongetwijfeld (al kon ze dit niet zien) één sok was. Hij liep net als Ankie de geit zo snel als maar kon, en duikelde al even spectaculair tussen de bloemen, toen hij over het een of ander (misschien zijn eigen voeten) struikelde. Hij was te groot om echt tussen het geel en groen van de begroeiing te verdwijnen, maar zijn hoofd dook even onder. Dan richtte hij zich weer op als een beer die brullend uit de struiken tevoorschijn komt. Voor Melissa van haar verrassing was bekomen, rende hij al langs haar heen met zijn hemd flapperend achter hem, en zijn onderbroek tot op ondeugdelijke hoogte afgezakt over zijn rimpelige oude billen.

“Hier komen met die sok!” brulde hij.

Melissa keek hem na terwijl hij achter de geit aan de heuvel af rende.

De geit repte zich zo te zien naar de andere geiten in het dorp, en Melissa wist beter dan van haar grootvader te verwachten dat hij de achtervolging zou opgeven. Hoe lang het hem zou kosten om met zijn slechte benen weer boven te raken, durfde ze niet zeggen. Wat vaststond was dat de oude besjes in het dorp weer wat om over te kletsen zouden hebben, terwijl ze in hun stoeltje voor de deur de laatste uurtjes van de dag voorbij lieten wijlen. En dat haar grootvader wel een stevige boterham zou kunnen gebruiken als hij weer thuiskwam. Gelukkig had ze drie dikke broden bij zich in haar mand.

“Ik zal meteen ook de linnenkast even opruimen.” zei Melissa.

Waarna ze neuriënd haar weg naar boven vervolgde.

* * *